Vordering op frauderende beleggingsadviseur dient te worden gewaardeerd op 50%


Samenvatting

Belanghebbende heeft in 2004 een bedrag van € 50.000 ingelegd bij een beleggingsadviseur. Belanghebbende wist niet dat in datzelfde jaar bij de adviseur een onderzoek is ingesteld door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en dat uit dit onderzoek in 2005 bleek dat er geen gelden werden belegd, maar dat het geld werd rondgepompt als in een piramidespel. Op 15 juni 2005 is de adviseur in staat van faillissement verklaard. De FIOD heeft vervolgens in 2006 bij de adviseur een onderzoek ingesteld en uiteindelijk is de adviseur in dat jaar ook strafrechtelijk veroordeeld. In geschil is de waarde van de vordering per 31 december 2004 en 1 januari 2005. Belanghebbende is door de rechtbank in het gelijk gesteld (NTFR 2008/2336).

Het hof overweegt dat de waardering van de vordering naar objectieve maatstaven naar de werkelijke toestand op de data dient te geschieden. Het hof betrekt bij zijn oordeel HR 7 mei 1997, nr. 32.237, BNB 1997/268. Het hof overweegt dat duidelijk is geworden dat de adviseur al vanaf 2003 nauwelijks gelden heeft belegd, maar dat omstreeks de peildata ook nog steeds aanzienlijke bedragen zijn ingelegd. Eén en ander brengt het hof tot het waarderen van de vordering in goede justitie op 50%.

(Hoger beroep gegrond.)

Commentaar

Het uitgangspunt van art. 5.19 Wet IB 2001 is dat vorderingen worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer op de peildata. In lijn met vaste jurisprudentie dient met alle omstandigheden op de peildatum rekening te worden gehouden, ook als deze pas later aan het licht komen (HR 7 mei 1997, nr. …

Verder lezen
Terug naar overzicht