Vrouw kon 25 jaar na echtscheiding alsnog verdeling van pensioen vorderen


M en V zijn tot en met 1982 gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Hoewel de gemeenschappelijke goederen zijn verdeeld, zijn er nimmer afspraken gemaakt over de verdeling van pensioenrechten. Thans vordert V dat deze alsnog worden verdeeld.

De Rechtbank wijst de vordering van V toe. Nu de echtscheiding tussen 27 november 1981 (arrest Boon/Van Loon) en 1 mei 1995 (invoering WVPS) heeft plaatsgevonden, maken de pensioenrechten van M onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap. M's betoog dat V's vordering is verjaard, wordt verworpen. Immers, artikel 3:178 BW impliceert dat er geen plicht bestaat om verdeling te vorderen, ook niet als de aard van de gemeenschap daarvoor (inmiddels) aanleiding geeft. De enkele omstandigheid dat V de gemeenschap laat voortduren, is onvoldoende voor de conclusie dat V afstand heeft gedaan van haar aandeel. Het pensioen viel in de huwelijksgemeenschap zodat niet relevant is of V welgesteld is.

Rb. Maastricht; 4 juli 2007; nr 115124 / HA ZA 06-1104

Verder lezen