Vzngr. Rb. 's-Hertogenbosch 10-09-2002 (Rullmann), KG 2003, 25


Concurrentiebeding. Overgang onderneming.

Een beveiligingsbedrijf (VNB) wordt verkocht (aan HSG) exclusief de bijbehorende adviespraktijk doch inclusief de goodwill. In de koopovereenkomst is een concurrentiebeding met de duur van vijf jaar en een boetebeding (25% van de koopsom) opgenomen. Wanneer blijkt dat VNB beveiligingswerkzaamheden verricht, legt HSG conservatoir derdenbeslag op het huis van de enige aandeelhouder en onder diverse banken. HSG vordert in kort geding betaling van de boete en de kosten van de beslagen en een verbod tot overtreding van het concurrentiebeding. VNB stelt dat de vordering in strijd is met art. 6 Mededingingswet (Mw) en vordert in reconventie opheffing van de conservatoire beslagen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een concurrentiebeding een verboden mededingingsbeperking vormt, tenzij op grond van art. 7 Mw het concurrentiebeding duidelijk van ondergeschikte betekenis is. Art. 7 Mw is echter niet van toepassing, omdat de gezamenlijke omzet van VNB en HSG ten tijde van de verkoop meer dan NLG 2.000.000,-- was. Echter ingeval een concurrentiebeding rechtstreeks verband houdt met de verwerving van een onderneming kan het een geoorloofde mededingingsbeperking zijn (zie Pb EG 2001, C 188/03). Daarbij geldt dat wanneer het concurrentiebeding uitsluitend betrekking heeft op de goodwill, het beding gerechtvaardigd is voor maximaal twee jaar. Aangezien hier de overgenomen goodwill de reden is geweest voor opname van een non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst is dit na twee jaar vervallen. Het is dus niet relevant of VNB daarna concurrerende werkzaamheden heeft verricht. Het vorderingsrecht van HSG is dus ondeugdelijk en op grond van art. 705 lid 2 Rv dienen de conservatoire beslagen te worden opgeheven. De voorzieningenrechter wijst de vordering van HSG af en heft de conservatoire beslagen op.

Terug naar overzicht