Waardering aandelen beleggings-BV


De enig aandeelhouder en de inspecteur strijden over de waarde van de aandelen in een BV. De activiteiten van de BV bestaan voornamelijk uit de handel in onroerende zaken. De bezittingen van de BV betreffen naast vorderingen en liquide middelen nagenoeg geheel courante onroerende zaken.

Belanghebbende betoogt dat de waardering dient plaats te vinden tegen de intrinsieke waarde, gecorrigeerd voor de (lage) rentabiliteit.

De inspecteur gaat uit van de ongecorrigeerde intrinsieke waarde, om dat de panden van de Bv beleggingsobjecten zijn. Het Hof overweegt dat bij waardering van bezittingen, die tot een economische eenheid behoren, rekening moet worden gehouden met die omstandigheid (artikel 9 lid 3 Wet op de vermogensbelasting).

Het Hof neemt aan dat de gegadigden voor het gehele aandelenpakket zich in beginsel zullen laten leiden door de intrinsieke waarde van de bezittingen en schulden van de BV. Omdat zij aldus worden gedwongen alle bezittingen aan te schaffen, acht het Hof een korting op de intrinsieke waarde van het aandelen pakket op zijn plaats. Als korting acht het Hof het redelijk en billijk de waarde van het onroerend goed met 10% te verminderen.

De latente vennootschapsbelasting werd gewaardeerd op 20%.

Het Hof gaat voorbij aan de eventueel lagere rentabiliteitswaarde, omdat deze reeds is verwerkt in de waarde van de bezittingen van de BV.

Hof Leeuwarden; 1 oktober 1993; nr 329/92

Verder lezen