Wanneer is bescherming effectief?


In de rubriek ‘Potentieel Prejudicieel’ formuleren deskundigen in het Europees migratierecht prejudiciële vragen die aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zouden kunnen of moeten worden gesteld. In deze aflevering formuleert Hemme Battjes vragen met betrekking tot de aanwezigheid van effectieve bescherming in het land van herkomst, in het licht van de Definitierichtlijn.

De Afdelingsjurisprudentie over bescherming in het licht van het Unierecht

Aanleiding voor de vraag

In het Nederlandse asielrecht wordt de vraag of in het land van herkomst effectieve bescherming tegen gestelde vervolging of mishandeling voorhanden is, beoordeeld aan de hand van een toets die niet aansluit bij de tekst van de Definitierichtlijn.1 Het is de vraag of deze toets in overeenstemming is met het Unierecht.

1. Bescherming

Voor de kwalificatie als vluchteling of persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, geldt als eis dat de betrokkene de bescherming van het land van herkomst niet kan of, vanwege zijn vrees dan wel risico, niet wil inroepen.2 In deze bijdrage vergelijk ik de Afdelingsjurisprudentie ten aanzien van bescherming met het relevante Unierecht, en concludeer dat zij daar zozeer van afwijkt dat meerdere prejudiciële vragen op hun plaats zijn.

Over het Unierecht met betrekking tot bescherming is nog weinig jurisprudentie van het Hof van Justitie EU (Hof). Omdat het Unierecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag en andere toepasselijke verdragen,3 bespreek ik hieronder eerst de notie ‘bescherming’ in de vluchtelingendefinitie en in de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM, par. 2). Uit deze bespreking blijkt dat twee vragen centraal staan. Ten eerste, wie bescherming kan…

Verder lezen
Terug naar overzicht