Weduwnaar met op adres jeugdinrichting ingeschreven minderjarige zoon krijgt alleenstaande-ouderkorting via gelijkheidsbeginsel


Samenvatting

Belanghebbende, een weduwnaar, heeft een in 1997 geboren zoon die is opgenomen in een justitiële jeugdinrichting. In verband hiermee stond de zoon van 1 januari t/m 28 augustus 2013 in de GBA ingeschreven op het adres van de jeugdinrichting. Daarna op het woonadres van belanghebbende. De zoon heeft in 2013 wel meer dan een half jaar een huishouding met belanghebbende gevoerd en de zoon werd gedurende die periode in belangrijke mate door belanghebbende onderhouden. De aanspraak van belanghebbende op de alleenstaande-ouderkorting is door de inspecteur echter afgewezen omdat niet is voldaan aan de wettelijke inschrijvingseis (ouder en kind meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres ingeschreven). Volgens het hof is deze wettelijke eis, anders dan belanghebbende betoogt, niet in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Niettemin stelt het hof belanghebbende in het gelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De staatssecretaris heeft namelijk in zijn besluit van 11 november 2011, nr. BLKB2011/1208M, NTFR 2011/2661 goedgekeurd dat bij binnenschippers de inschrijvingseis wordt losgelaten omdat bij hen inschrijving op het woonadres niet mogelijk is. Doel en strekking van de onderhavige regeling is het geven van een fiscale ondersteuning aan alleenstaande ouders die voldoen aan de materiële voorwaarden (geen partner, meer dan een half jaar een huishouding voeren met een kind en in belangrijke mate onderhouden van dat kind) en het door middel van een formele voorwaarde (de inschrijvingseis) voorkomen dat twee ouders aanspraak maken op de korting. De situatie van belanghebbende valt volgens het hof volledig binnen doel en strekking van de wettelijke regeling en van de begunstigende regeling in het besluit…

Verder lezen
Terug naar overzicht