Weigering schotelantenne en artikel 10 EVRM


Art 7:215 BW en art. 10 EVRM

Een woningcorporatie mag niet met beroep op nieuw landelijk beleid, zonder meer een schotelantenne verbieden, zo oordeelde de Rechtbank in Alkmaar en wel omdat op grond van art. 10 EVRM telkenmale afweging zal moeten plaatsvinden tussen het beland van de huurder en de woningcorporatie als verhuurder.

De casus was als volgt: een huurder vordert de (kanton)rechter om te gelasten dat een woningcorporatie, de verhuurder, toestemming verleent voor het aanbrengen van een schotelantenne. De huurder stelt daarbij dat hij op grond van art. 10 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) de vrijheid heeft om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen naar zijn keuze.

De woningcorporatie verdedigt zichzelf door te stellen dat nieuw landelijk beleid plaatsing van schotelantennes in de weg staat. Er zou een ontsierend effect ontstaan en risico van schade. Verder wordt gevreesd voor precedentwerking en zijn er volgens de woningcorporatie voldoende alternatieven.

De kantonrechter is van oordeel dat in het kader van art. 10 EVRM iedere aanvraag voor het plaatsen van een schotelantenne opnieuw door gedaagde moet worden beoordeeld, waarbij zij de wederzijdse (specifieke) belangen van partijen tegen elkaar moet afwegen. Een beleid dat kennelijk ziet op een algeheel verbod kan deze belangenafweging niet opzij zetten. Daarbij oordeelde de kantonrechter dat van een ontsierend effect niet is gebleken, nu de schotel nauwelijks zichtbaar zal zijn en er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld, waaruit blijkt dat de schotelantenne schade kan veroorzaken. Daarnaast achtte de kantonrecht en onvoldoende betwist dat er geen alternatieven zijn, omdat zowel digitale televisie als kabeltelevisie van een dermate slechte kwaliteit…

Verder lezen
Terug naar overzicht