Wetsvoorstel 30 533 en enkele gevolgen voor beleggingsinstellingen in de vastgoedsector


Het beleggen in onroerende zaken via vastgoedfondsen heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Naast particulieren hebben ook institutionele beleggers een grote interesse getoond voor deze beleggingsproducten.

Het regime van de fiscale beleggingsinstelling ex art. 28 Wet VPB 1969 (hierna ‘fbi’) is door de jaren heen diverse malen aangepast. In het najaar van 2007 is opnieuw een wijziging van de het fbi-regime in werking getreden (wetsvoorstel 30 533). Eén van de wijzigingen betreft de versoepeling van de zogenoemde aandeelhoudersvoorwaarden. Tevens zijn vestigingsplaats en oprichtingscriteria aanzienlijk versoepeld. De druk op Nederland om deze voorwaarden te wijzigen kwam uit Europese hoek. Velen zijn van mening dat de oude aandeelhoudersvoorwaarden niet in overstemming waren met het gemeenschapsrecht en modernisering op dit gebied was dan ook noodzakelijk. In dit artikel wordt specifiek ingegaan op enkele gevolgen van het wetsvoorstel voor beleggingsinstellingen in de vastgoedsector.

1 De fiscale beleggingsinstelling

Eén van de twee mogelijkheden om beleggingen te poolen zonder dat dit leidt tot belastingheffing bij het fonds is door beleggingen onder te brengen in een niet-transparant lichaam dat opteert voor het fbi-regime. De andere mogelijkheid is door gebruik te maken van een fiscaal transparant lichaam.

Een fbi is onderworpen aan vennootschapsbelasting naar een tarief van 0%. Daarnaast is een fbi inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. Een lichaam dat kwalificeert als fbi betaalt dus geen vennootschapsbelasting, zonder dat sprake is van fiscale transparantie. Dit betekent dat de resultaten die worden behaald met de beleggingen die in de beleggingsinstelling zijn samengebracht niet rechtstreeks aan de participanten worden toegerekend.

De voorwaarden die gelden voor een fbi zijn opgenomen in art. 28 Wet VPB 1969 en…

Verder lezen
Terug naar overzicht