Wetsvoorstel inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling


Samenvatting

De aanmerkelijkbelangregeling in de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting wordt gewijzigd. Deze zal vanaf 1 januari 2018 alleen nog van toepassing zijn indien vermijding van inkomstenbelasting een hoofddoel of een van de hoofddoelen van de structuur of de transactie is. Vermijding van dividendbelasting is niet langer een reden om een belastingplichtig aanmerkelijk belang te constateren. Evenals onder de huidige wetgeving is naast het ontgaansmotief (de subjectieve toets) ook vereist dat er sprake is van een kunstmatige constructie (de objectieve toets) die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. In art. 17, lid 5, Wet VPB 1969 wordt een delegatiebepaling opgenomen zodat bij ministeriële regeling regels gesteld worden om te bepalen wat onder dergelijke geldige zakelijke redenen kan worden verstaan. Pas indien aan beide toetsen is voldaan, is er sprake van een belast aanmerkelijk belang. Verder vervalt de huidige regeling in art. 17, lid 5, Wet VPB 1969. Daarin is bepaald dat in situaties waarin slechts sprake is van een ontgaansmotief ten aanzien van de dividendbelasting effectief een tarief van 15% verschuldigd wordt over de opbrengst volgens de Wet DB 1965. Dit hangt samen met het vervallen van de relevantie van een ontgaansmotief voor de dividendbelasting onder de voorgestelde regeling. Ten slotte wordt in art. 25 Wet VPB 1969 de huidige uitsluiting van verrekening van dividendbelasting op uitdelingen door coöperaties geschrapt.

Anders dan in de geconsulteerde voorstellen wordt de aanmerkelijkbelangregeling niet beperkt tot vervreemdingsvoordelen. Ook reguliere voordelen blijven derhalve belast.

Wijzigingen in de vennootschapsbelasting

Commentaar

Met de voorgestelde wijziging van de aanmerkelijkbelangregeling (hierna: ab-regeling) wordt het bereik ervan…

Verder lezen
Terug naar overzicht