Wettelijke rente bij boetebeding verschuldigd na ingebrekestelling


Art 6:93 en 119(a) BW

De Hoge Raad heeft onlangs een uitspraak gedaan over de vraag wanneer de wettelijke rente verschuldigd is ingeval een boete niet betaald wordt bij een blijvend onmogelijke prestatie.

De casus was als volgt: De gemeente Veghel verkocht en leverde aan A een bouwkavel. In de leveringsakte was een verplichting tot zelfbewoning opgenomen alsmede een verbod van doorverkoop aan een derde binnen vijf jaren, een en ander behoudens onder meer schriftelijke ontheffing van burgemeester en wethouders. Tevens was bepaald dat bij een overtreding van deze overeenkomst de koper respectievelijk zijn rechtsopvolger aan de gemeente Veghel een boete was verschuldigd gelijk aan de koopprijs. Na voorafgaande correspondentie, waarin A tevergeefs aan de gemeente een schriftelijke ontheffing door burgemeester en wethouders heeft gevraagd tot doorverkoop aan zijn ouders van de bouwkavel binnen de bedoelde termijn van vijf jaren, heeft A de kavel aan zijn ouders verkocht en geleverd. In dit geding heeft de gemeente gevorderd dat A en zijn ouders zullen worden veroordeeld tot onder meer betaling van de contractuele boete met rente vanaf de datum van het tekenen van de koopovereenkomst. De rechtbank gaf de gemeente geen gelijk en heeft de vorderingen afgewezen. Het hof gaf de gemeente wel gelijk en heeft de vordering tot betaling van de boete met rente alsnog toegekend. Wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente overwoog het hof dat nu nakoming (van de verplichting tot niet-doen) blijvend onmogelijk was geworden, de rente op grond van art. 6:93 BW ging lopen vanaf het moment van verkoop van de kavel. De Hoge Raad oordeelde anders. De Hoge Raad oordeelde dat ingevolge…

Verder lezen
Terug naar overzicht