Wijziging Waterregeling (kaarten 2016.2 en enige andere wijzigingen)


Regeling van de minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juni 2016 tot wijziging van de Waterregeling (kaarten 2016.2 en enige andere wijzigingen). Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

De onderhavige regeling vervangt in totaal 23 kaarten in de bijlagen II, III en IV van de Waterregeling en voegt drie kaarten (onder nummer 339) toe. Deze bijlagen bevatten kaarten met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwaliteits-, waterkwantiteits- en waterstaatkundig beheer voert, van rijkswateren waar een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam het waterstaatkundig beheer voert en van drogere oevergebieden.

Voor de aanwijzing van rijkswateren waar een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam het waterstaatkundig beheer voert wordt een artikel toegevoegd (artikel 3.2a van de Waterregeling) en wordt een artikel uitgebreid (artikel 6.7 van de Waterregeling).

Verder worden in de artikelen 3.3 en 3.4 redactionele aanvullingen gedaan ten aanzien van de verwijzingen naar de bijlagen bij de Waterregeling.

Aanwijzing door het Rijk van een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam dat wordt belast met het beheer van rijkswater
De aanwijzing van niet tot het Rijk behorende overheidslichamen is een nieuwe figuur binnen de Waterregeling. Bij de Wet van 18 december 2013 tot wijziging van de Waterwet en enkele andere wetten (aanvulling en verbetering; vereenvoudiging van de verontreinigingsheffing; opheffing van de Commissie van advies inzake de waterstaatswetgeving) (Staatsblad 2014, nr. 21), die in werking getreden is getreden op 1 juli 2014, is het mogelijk gemaakt om via een nieuw zesde lid van artikel 3.1 van de Waterwet bij ministeriële regeling een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam aan te wijzen dat geheel of gedeeltelijk is belast met het beheer van daarbij aangewezen rijkswateren. De aanwijzing gebeurt in overeenstemming met het betreffende bestuursorgaan.

De situatie die door de aanwijzing ontstaat, kan worden getypeerd als een situatie van gedeeld beheer. Het overheidslichaam wordt enkel belast met taken en bevoegdheden die bij of krachtens de Waterwet aan een beheerder als zodanig zijn toegekend. Dit betreft voornamelijk het zogenaamde ‘actieve’ beheer, de zorg voor de uitvoering van concrete werkzaamheden. Het ‘passieve’ beheer, bestaande uit regulering en bestuur (waaronder vergunningverlening) betreffende watersystemen, blijft grotendeels in handen van het Rijk. Een aantal taken en bevoegdheden betreffende het passief beheer, zoals vergunningverlening, zijn namelijk bij of krachtens (de hoofdstukken 4, 6, 7 en 8 van) de Waterwet toegekend aan de Minister van Infrastructuur en Milieu (of het dagelijks bestuur van een waterschap) in plaats van aan de beheerder als zodanig. De Minister van Infrastructuur en Milieu blijft in het geval van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.1, lid 6 van de Waterwet het bevoegd gezag voor die taken en bevoegdheden, aangezien de aangewezen wateren blijkens de formulering van dat artikel rijkswateren blijven. Het past niet in het systeem van de Waterwet om het passief beheer geheel over te dragen aan een ander overheidslichaam. Daaraan ten grondslag ligt de idee dat het passief beheer moet berusten bij ofwel het Rijk ofwel het waterschap. Dat blijkt ook uit artikel 3.2, lid 2 van de Waterwet.

De aanwijzing wordt in de Waterregeling gerealiseerd door in de kaarten in de bijlagen met een andere kleur dan voor de aanwijzing van oppervlaktewaterlichamen of zijwateren aan te geven welk (gedeelte van een) rijkswater wordt beheerd door een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam. Aangezien het hierboven bedoelde overheidslichaam in het concrete geval van deze regeling een gemeente betreft, en ook voor de toekomst wordt verwacht dat deze aanwijzing in de meeste gevallen gemeenten zal betreffen, wordt in de betreffende kaart gebruikgemaakt van de generieke aanwijzing ‘gemeente’. Daarmee wordt voorkomen dat eventuele gemeentelijke herindelingen gevolgen hebben voor de aanwijzingen in de Waterregeling. Niet uitgesloten is dat in de toekomst andere overheidslichamen worden aangewezen. Het nieuwe artikel 3.2a van de Waterregeling, waarin de aanduiding ‘niet tot het Rijk behorend overheidslichaam’ is gebruikt, staat daaraan niet in de weg. De legenda bij de kaarten kan in dergelijke gevallen duidelijkheid verschaffen over het overheidslichaam dat geheel of gedeeltelijk wordt belast met het beheer van het rijkswater.

Als het beheer van een (deel van een) rijkswater wordt overgedragen aan een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam, zegt dat onder meer iets over het belang dat het Rijk eraan hecht. Als het actief beheer wordt overgedragen, blijven er namelijk minder taken en bevoegdheden over. Van de bevoegdheid van artikel 3.1, lid 6 van de Waterwet wordt dan ook terughoudend gebruik gemaakt. Als wel van de mogelijkheid gebruikgemaakt wordt, wordt het logisch geacht dat, ondanks het gedeelde beheer, het Rijk zich zo min mogelijk bezighoudt met het betreffende deel van het rijkswater. Om de redenen van het ondergeschikte waterstaatkundige belang en de idee dat het Rijk zich zo veel mogelijk op de achtergrond moet houden bij een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2a, is in het nieuwe tweede lid van artikel 6.7 van de Waterregeling bepaald dat dergelijke gebieden ook gebieden zijn waar paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is. Zodoende gelden voor die gebieden niet de vergunningplicht op grond van artikel 6.12 van het Waterbesluit of de algemene regels op grond van artikel 6.15 van het Waterbesluit.
Wijziging Waterregeling (kaarten 2016.2 en enige andere wijzigingen)

Verder lezen
Terug naar overzicht