Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 15a (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 06-03-2018 door prof. mr. dr. R.E. van Esch

Artikel 15a Tekst van de hele regeling

Evenals een elektronische gekwalificeerde handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronisch transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257) hebben een geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld in onderdeel 11, en een andere elektronische handtekening als bedoeld in onderdeel 10, van artikel 3 van deze verordening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien voor deze beide elektronische handtekeningen de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.

A: Inleiding

Artikel 3:15a BW (oud) vloeide voort uit de Richtlijn elektronische handtekeningen.1 Deze richtlijn was in Nederland geïmplementeerd door middel van de Wet elektronische handtekeningen. 2 Met artikel 3:15a BW had de Nederlandse wetgever voldaan aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 5 van de richtlijn. Deze verplichting hield kort gezegd in dat de lidstaten ervoor zorgen dat aan de elektronische handtekening in de zin van de richtlijn de rechtsgevolgen worden verbonden zoals vermeld in de richtlijn.

Vanaf 1 juli 2016 is de Europese Verordening betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties (Verordening (EU) Nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, PbEU 2014 L 257/73, ook wel de eIDAS-verordening genoemd) van toepassing. In verband hiermee is artikel 3:15a BW bij de Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Telecommunicatiewet, de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten in verband met de uitvoering van EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (uitvoering EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten)
Stb. 2017, 13
) gewijzigd.

1

Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen,
PbEG 2000 L 13/12
.

2

Wet van 8 mei 2003 tot aanpassing van Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten inzake elektronische handtekeningen ter uitvoering van richtlijn nr. 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk juridisch kader voor elektronische handtekeningen (
PbEG L 13
) (Wet elektronische handtekeningen),
Stb. 2003, 199
.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

C.1: Elektronische handtekening

Artikel 3:15a BW gaat over elektronische handtekeningen. Voorbeelden van elektronische handtekeningen zijn de ingescande schriftelijke handtekening, de pincode, de DigiD en de code die bij internetbankieren wordt meegestuurd met de elektronische betalingsopdracht. Een e-mailadres dat toebehoort aan de afzender van een bericht, is geen elektronische handtekening. Daarnaast kan worden gedacht aan elektronische handtekeningen gebaseerd op biometrie, waarbij gebruik wordt gemaakt van lichaamskenmerken, zoals de vingerafdruk of de iris van het oog. De veiligste elektronische handtekening is op dit moment de digitale handtekening. Wil iemand een verklaring, zoals een betaalopdracht, ondertekenen met een digitale handtekening, dan laat hij zijn computer deze verklaring eerst comprimeren tot een code. Deze code heet de hashwaarde. De hashwaarde is op zodanige wijze verbonden aan de inhoud van deze verklaring dat wijziging van een teken in de verklaring leidt tot een andere code. Vervolgens vercijfert de ondertekenaar met behulp van zijn computer deze hashwaarde op basis van zijn geheime privésleutel en een bepaald algoritme. De digitale handtekening is de vercijferde hashwaarde van de verklaring.

De ontvanger van de elektronische verklaring verifieert de digitale handtekening als volgt. Hij berekent zelf op dezelfde wijze als de ondertekenaar de hashwaarde van de verklaring. Vervolgens ontcijfert hij de digitale handtekening op basis van de publieke sleutel van de ondertekenaar en hetzelfde algoritme als gebruikt door de ondertekenaar. Deze publieke sleutel wordt ter verificatie van de digitale handtekening meestal aangereikt in een elektronisch certificaat. Dit certificaat is opgesteld en is digitaal ondertekend door een certificatiedienstverlener (ook wel Trusted Third Party oftewel TTP genoemd). De ontvanger krijgt na ontcijfering van de digitale handtekening de hashwaarde zoals die door de afzender is vastgesteld. Deze hashwaarde vergelijkt de ontvanger met de hashwaarde die hij zelf heeft berekend. Als deze twee hashwaarden identiek zijn, weet de ontvanger dat de digitale handtekening is geplaatst door iemand die beschikt over de geheime privésleutel die hoort bij de publieke sleutel waarmee hij de digitale handtekening heeft geverifieerd. Bovendien weet hij dat de integriteit van de elektronische verklaring niet is aangetast gedurende het transport over het telecommunicatienetwerk.

C.2: Rechtsgevolgen

Artikel 3:15a BW onderscheidt (i) gekwalificeerde elektronische handtekeningen, (ii) geavanceerde elektronische handtekeningen en (iii) andere elektronische handtekeningen.

Een gekwalificeerde elektronische handtekening is een geavanceerde elektronische handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen. Zie de definitie van deze term in artikel 3 onderdeel 12 eIDAS-verordening. Een gekwalificeerde elektronische handtekening is kort gezegd een digitale handtekening, waarbij het middel voor het maken van de handtekening, het certificaat en de uitgever van het certificaat voldoen aan bepaalde wettelijke eisen. Zij heeft dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening.

Een geavanceerde elektronische handtekening is een handtekening die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 26 eIDAS-verordening. Deze eisen zijn:

  1. zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;
  2. zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;
  3. zij komt tot stand met gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die de ondertekenaar, met een hoog vertrouwensniveau, onder zijn uitsluitende controle kan gebruiken; end. zij is op zodanige wijze aan de daarmee ondertekende gegevens verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord. Voorbeeld van een geavanceerde elektronische handtekening is de elektronische handtekening die bij internetbankieren wordt gebruikt om een elektronische betaalopdracht aan een bank te ondertekenen. Een geavanceerde elektronische handtekening heeft dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.

Onder de categorie andere elektronische handtekeningen vallen alle andere vormen van de elektronische handtekening, zoals de ingescande handtekening. Ook voor andere elektronische handtekeningen dan geavanceerde elektronische handtekeningen geldt dat zij dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening hebben, indien de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.

Bij rechtsgevolgen van de handtekening kan worden gedacht aan (a) de gebondenheid van de ondertekenaar aan de elektronische verklaring waaraan de elektronische handtekening is gehecht of waarmee zij logisch is geassocieerd, (b) de bewijsrechtelijke gevolgen van de elektronische ondertekening van een verklaring zoals de materiële bewijskracht, (c) het instaan van de ondertekenaar voor diens vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van artikel 3:70 BW of (d) het voldoen aan een wettelijk vormvoorschrift dat een schriftelijke handtekening vereist.

Artikel 3:15a BW bevat een open norm. De rechter dient op basis van de gebruikte techniek en de omstandigheden van het geval te bepalen of de gebruikte methode voor authentificatie voldoende betrouwbaar is. Omdat deze open norm weinig rechtszekerheid biedt, kunnen partijen die in hun onderlinge rechtsverkeer gebruikmaken van een elektronische handtekening, de rechtsgevolgen van een dergelijke handtekening in een overeenkomst regelen. Hoewel de bepaling van het huidige artikel 3:15a BW, anders dan die van artikel 3:15a lid 6 BW (oud) daarvoor geen regeling bevat, dient te worden aangenomen dat partijen de mogelijkheid hebben om afspraken te maken over de rechtsgevolgen die aan het gebruik van een elektronische handtekening worden toegekend (
Kamerstukken II 2015/16, 34 413, nr. 3
, p. 63). Zo kunnen partijen bijvoorbeeld afspreken dat een elektronisch bericht voorzien van de elektronische handtekening van één van hen, geacht wordt van die partij afkomstig te zijn. Partijen kunnen ook afspreken dat zij door het plaatsen of laten plaatsen van een elektronische handtekening jegens de ontvanger de wil uiten om gebonden te zijn aan de verklaring in het elektronisch bericht. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de rechter op grond van artikel 6:248 lid 2 BW een contractuele afspraak terzijde kan stellen indien deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gaat het om een beding opgenomen in algemene voorwaarden, dan kan artikel 6:233 sub a BW als grondslag dienen voor vernietiging van dat beding als dit onder de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is. Partijen kunnen niet afspreken dat aan een gekwalificeerde elektronische handtekening andere rechtsgevolgen worden toegekend dan de rechtsgevolgen die worden toegekend aan een handgeschreven handtekening.

D: Jurisprudentie uitgebreid

HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241;

betreft de mogelijkheid om via elektronische weg een volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel af te geven.

HR 19 november 1993, NJ 1994, 622 (m.nt. JCS), ECLI:NL:HR:1993:ZC1148;

werkgever draagt in beginsel het risico van misbruik van een betalingscode voor verzending van betalingsopdrachten per telex door zijn werknemer.

Hof ’s-Hertogenbosch 21 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:147;

e-mail niet voorzien van een (digitale) handtekening kan niet gelden als een schriftelijke volmacht tot het intrekken van een rechtsmiddel.

ABRvS 24 april 2014, «JB» 2013/125, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8406;

omdat de aanvraag op naam van appellant is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door hem is ingediend of dat de aanvraag is ingediend door iemand aan wie appellant zijn DigiD ter beschikking heeft gesteld. In het laatste geval zijn de aanvragen aan appellant toe te rekenen. De gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD zijn immers strikt persoonlijk.

Rb. Zutphen 22 februari 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BX1620;

de Biz Key met bijbehorende inlogcodes die in dit geval zijn gebruikt, vormen samen een elektronische handtekening.

Rb. ’s-Gravenhage 27 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:BT6781;

OPTA hoeft notarissen en gerechtsdeurwaarders geen langere termijn te gunnen om gebruik te kunnen blijven maken van door Diginotar afgegeven gekwalificeerde certificaten.

Rb. Rotterdam 20 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7167;

misbruik van een elektronische handtekening wordt in beginsel toegerekend aan de houder van de middelen waarmee deze handtekening wordt gegenereerd, indien dit misbruik te wijten is aan diens gebrek aan zorg, tenzij hij omstandigheden stelt en bewijst die een zodanig gebrek aan zorg uitsluiten.

Rb. Zutphen 7 juli 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0047;

degene vanuit wiens e-mail adres een verklaring is gestuurd, kan zich in het algemeen erop beroepen dat de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer de ontvanger heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat de verklaring wel van hem afkomstig was. De ontvanger van de elektronische verklaring wordt wel beschermd in het vertrouwen als er sprake is van bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat het gerechtvaardigd vertouwen van de ontvanger aan de houder van het e-mailadres valt toe te rekenen.

Rb. Maastricht 27 maart 2006, «JB» 2006/162 m.nt. MOV, ECLI:NL:RBMAA:2006:AW6886;

e-mail voldoet niet aan het vereiste van een elektronische handtekening als bedoeld in artikel 2:15 Awb.

Ktr. Haarlem 15 februari 2006, NJF 2006, 240, ECLI:NL:RBHAA:2006:AV2794;

vaststelling dat handelingen zijn verricht vanachter een bepaalde computer in casu onvoldoende bewijs van het feit dat eigenaar van computer handelingen zelf heeft verricht.

Ktr. Almelo 9 november 2004, NJF 2005, 6, ECLI:NL:RBALM:2004:AR8612;

beoordeling beding in algemene voorwaarden over risico van misbruik elektronische handtekening.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 15a.

F: Literatuurverwijzing

  • Dumortier, J., ‘De omzetting van de Europese richtlijn elektronische handtekeningen: een stand van zaken’, Computerrecht 2000-4, p. 186-193.
  • Duthler, A.W., Met recht een TTP! (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1998.
  • Esch, R.E. van, ‘De digitale handtekening’, in: J.M.A. Berkvens e.a. (red.), Onderneming en ICT, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 107-126.
  • Esch, R.E. van, ‘De betrekkelijke waarde van de Wet elektronische handtekeningen voor de elektronische handel’, Computerrecht 2003-6, p. 337-345.
  • Esch, R.E. van, Juridische aspecten van elektronische handel, Deventer: Kluwer 2007, p. 125-142.
  • Esch, R.E. van, ‘De nieuwe wettelijke regeling met betrekking tot elektronische handtekeningen en online financiële dienstverlening in theorie en praktijk’, FR 2016-9, p. 344-349.
  • Hof, S. van der, ‘De regulering van elektronische handtekeningen’, JAVI 2002-2, p. 48-53.
  • Linneman, 'Uitvoering van de verordening elektronische identificatie en vertrouwensdiensten', Tijdschrift voor InternetrechI 2015-5/6, p. 176-181.
  • Lodder, A.R., J. Dumortier en S.H. Bol, Het recht rond elektronische handtekeningen, Deventer: Kluwer 2005, p. 57-64 en p. 80-91.
  • Schaub, M.Y., The European legal framework regarding e-commerce (diss. Utrecht), 2004, p. 193-197.
  • Schellekens, M.H.M., Electronic Signatures. Authentication Technology from a Legal Perspective, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2004.
  • Stekelenburg, M.C. van, De betere byte in de strijd om het gelijk (diss. Amsterdam VU ), Delft: Eburon 2010.
  • Voulon B.M., ‘Een Europese verordening voor identity management (IdM)’, Computerrecht 2013/118.
  • Voulon B.M., ‘Bewijs en bewaren’, in: S. van der Hof e.a. (red.), Recht en computer, Deventer: Kluwer 2014.
  • Wefers Bettink H.W. en Theeven J., ‘Een Gemeenschapsregime voor elektronische identificatie’, Nederlands Tijdschrift voor Europees Recht 2013-1/2, p. 1-6.