Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 15j (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 15-02-2018 door mr. F.M. van Peski

Artikel 15j Tekst van de hele regeling

Openlegging van tot een administratie behorende boeken,
bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voorzover zij
daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen:

  1. erfgenamen, ten aanzien van de boekhouding van de erflater;

  2. deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de
    boekhouding betreffende de gemeenschap;

  3. vennoten, ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap;

  4. schuldeisers in het geval van faillissement of
    toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
    personen, ten aanzien van de boekhouding van de failliet
    onderscheidenlijk degene ten aanzien van wie de
    schuldsaneringsregeling van toepassing is.

A: Inleiding

Artikel 3:15j BW biedt aan degene die daarbij een rechtstreeks en voldoende belang heeft de mogelijkheid om openlegging te vorderen van de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Openlegging kan worden gevorderd ongeacht of tussen partijen een juridische procedure aanhangig is. Het recht op openlegging is niet beperkt tot de in sub a tot en met sub d genoemde gevallen. Ook in andere verhoudingen waarin een rechtstreeks en voldoende belang bestaat, kan een beroep op artikel 3:15j BW worden gedaan.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 15j.

C: Kernproblematiek

C.1: Geen limitatief karakter

Dat niet slechts de in sub a tot en met d genoemde erfgenamen, deelgenoten in een gemeenschap, vennoten en schuldeisers openlegging kunnen vorderen indien zij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, volgt uit de memorie van toelichting bij de Wet tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht (
Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 3
, p. 8-9). Daarin wordt overwogen dat niet uitgesloten kan worden dat zich ook buiten de in artikel 3:15j BW genoemde categorieën verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging kan worden gevorderd, hetgeen reden was om het limitatieve karakter van de bepaling niet langer te handhaven. Mede in verband daarmee is de verouderde verwijzing naar ‘aanstellers van factoors of bewindvoerders’ komen te vervallen.

C.2: Openlegging

Uit de hiervoor genoemde memorie van toelichting (p. 8) blijkt dat voor artikel 3:15j BW, net als voor artikel 162 Rv, is gekozen voor de term ‘openlegging’ in plaats van ‘overlegging’. De gedachte was dat voor een afwijkende terminologie tussen beide bepalingen geen goede grond bestaat. Wellicht heeft ook het ontnemen van het limitatieve karakter aan artikel 3:15j BW bijgedragen aan de keuze voor het minder verstrekkende ‘openleggen’ in plaats van ‘overleggen’. Op welke wijze het openlegging plaats dient te vinden, hangt, zowel bij de toepassing van artikel 162 Rv als bij de toepassing van artikel 3:15j BW, af van de omstandigheden van het geval. Gedacht kan worden aan openlegging door het verlenen van inzage, door het verschaffen van een uittreksel of anderszins.

C.3: Administratie

Openlegging kan worden gevorderd van tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Bij artikel 11 WvK (oud), een voorganger van artikel 3:15j BW, was de gedachte dat, naast de administratie die op grond van artikel 6 WvK (oud) verplicht moest worden aangehouden door eenieder die een beroep of bedrijf uitoefende, ook de onverplicht aangehouden administratie viel onder de reikwijdte van artikel 11 WvK. Het is de vraag of dit nog steeds geldt. Uit de memorie van toelichting (p. 8) blijkt dat de redactie van artikel 3:15j BW is gemoderniseerd en verduidelijkt, waarbij ook aansluiting is gezocht bij de algemene administratieverplichting die is opgenomen in artikel 3:15i BW. Daarnaast vormen artikel 3:15i en 3:15j BW tezamen Afdeling 1B van Titel 1 van Boek 3 BW inzake het voeren van een administratie. Aldus kan worden betoogd dat met de administratie als genoemd in artikel 3:15j BW slechts de administratie wordt bedoeld die op grond van artikel 3:15i BW moet worden aangehouden.

C.4: Rechtstreeks en voldoende belang

Uit het arrest van het Hof Amsterdam van 15 januari 2004 («JOR» 2004/62 (m.nt. Abendroth), ECLI:NL:GHAMS:2004:AO4433) volgt dat het vereiste van een rechtstreeks en voldoende belang, indien het een geval als bedoeld in sub d betreft, aldus moet worden uitgelegd dat de schuldeiser openlegging kan vorderen teneinde (bijvoorbeeld tegenover de betwisting door de failliet en de curator) bewijs te kunnen vergaren omtrent de omvang of hoedanigheid van zijn vordering. In HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:612, NJ 2016, 221, «JOR» 2016/180 (m.nt. Bijloo) oordeelt de Hoge Raad op overeenkomstige wijze: van een rechtstreeks en voldoende belang is sprake indien de schuldeiser inzage in de boekhouding van de failliet verlangt teneinde zijn rechtsbetrekking met de failliet – en daarmee met de boedel – nader vast te (doen) stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot de hoogte, aard of inhoud van zijn vordering. Indien echter inzage wordt verlangd met het oog op een mogelijk door de schuldeiser in te stellen vordering tegen een derde, zoals de voormalig beleidsbepaler van de failliete vennootschap, is geen sprake van een rechtstreeks en voldoende belang als bedoeld in artikel 3:15j, aanhef en onder d, BW. Wel merkt de Hoge Raad hierbij nog op dat een dergelijke schuldeiser de weg kan bewandelen van een op de voet van artikel 843a Rv aanhangig te maken vordering tegen de curator.

D: Jurisprudentie uitgebreid

HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:612, NJ 2016, 221, «JOR» 2016/180 (m.nt. Bijloo);

op grond van artikel 3:15j, aanhef en onder d, BW kunnen schuldeisers in het geval van faillissement openlegging vorderen van de tot de boekhouding van de failliet behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, voor zover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben. Het antwoord op de vraag wanneer schuldeisers een rechtstreeks en voldoende belang hebben als zojuist bedoeld, volgt niet uit de uitspraken van de Hoge Raad van 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3534, NJ 2005/249 en ECLI:NL:HR:2005:AR3406, NJ 2005/250 (Jomed I en Jomed II), die in de onderhavige procedure mede centraal hebben gestaan in het debat tussen partijen. Deze beide uitspraken betreffen de vraag of, en zo ja binnen welke grenzen, een individuele schuldeiser van de failliet tegenover de curator aanspraak heeft op informatie over de wijze waarop deze zijn wettelijke taak heeft vervuld tot beheer en vereffening van de failliete boedel. In het arrest Jomed II is beslist dat het toepassingsgebied van artikel 3:15j, aanhef en onder d, BW beperkt is tot de boekhouding van de failliet voor zover deze betrekking heeft op het tijdperk tot aan diens faillietverklaring, en dat deze bepaling niet ertoe strekt openlegging te verkrijgen van de door de curator gevoerde boekhouding van het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Voor dat laatste bieden wel de artikelen 69 en 76 Fw een grondslag. Nu de vordering van [verweerster] in de onderhavige procedure strekt tot openlegging van de boekhouding van de failliet (en niet tot openlegging van de door de curator gevoerde boekhouding), blijft deze in zoverre binnen het toepassingsgebied van artikel 3:15j, aanhef en onder d, BW, zoals omschreven in het arrest Jomed II. Daarmee is echter nog niet gegeven dat [verweerster] bij die openlegging ook een rechtstreeks en voldoende belang heeft zoals door die bepaling wordt vereist. Van een dergelijk belang is sprake indien de schuldeiser inzage in de boekhouding van de failliet verlangt teneinde zijn rechtsbetrekking met de failliet – en daarmee met de boedel – nader vast te (doen) stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot de hoogte, aard of inhoud van zijn vordering. Indien echter inzage wordt verlangd met het oog op een mogelijk door hem in te stellen vordering tegen een derde, zoals de voormalige beleidsbepaler van een failliete vennootschap, is geen sprake van een rechtstreeks en voldoende belang als bedoeld in artikel 3:15j, aanhef en onder d, BW. Opmerking verdient dat indien een schuldeiser van de failliet informatie uit diens boekhouding wenst te verkrijgen met het oog op een mogelijkerwijs door hem in te stellen vordering tegen een derde, hij daartoe de weg kan bewandelen van een op de voet van artikel 843a Rv aanhangig te maken vordering tegen de curator.

HR 21 januari 2005, «JOR» 2005/105(m.nt. Abendroth), ECLI:NL:HR:2005:AR3406;

naast de in artikel 76 Fw aan de commissie uit de schuldeisers gegeven bevoegdheid te allen tijde raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, op het faillissement betrekking hebbende, te vorderen en de bevoegdheid van een individuele schuldeiser op de voet van artikel 69 Fw en binnen de grenzen van die bepaling een bevel aan de curator uit te lokken die administratie open te leggen of daarin inzage te verlenen, is geen plaats voor een daartoe strekkende vordering op grond van artikel 3:15j BW. Een schuldeiser heeft daarbij niet een rechtstreeks en voldoende belang. Het toepassingsgebied van artikel 3:15j, aanhef en sub d, BW is beperkt tot de administratie van de failliet, voor zover deze betrekking heeft op het tijdperk tot aan diens faillietverklaring.

Hof Arnhem 12 mei 2009, KG NJF 2009, 34, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3218;

artikel 3:15j, aanhef en sub d BW strekt er in beginsel toe de rechtsverhouding van de crediteur met de gefailleerde vennootschap vast te stellen. Een beroep daarop zal niet slagen indien de schuldeiser van de gefailleerde vennootschap uit de administratie van de failliet wenst te kunnen opmaken dat derden in samenwerking met de failliet jegens de betrokken schuldeiser onrechtmatig hebben gehandeld. In die situatie is er een te verwijderd (dus onvoldoende ‘rechtstreeks’) verband tussen de nog eventueel in te stellen vordering uit onrechtmatig handelen en de rechtsverhouding van de schuldeiser met de gefailleerde vennootschap.

Hof ’s-Gravenhage 25 september 2007, «JOR» 2007/287(m.nt. Van Andel), ECLI:NL:GHSGR:2007:BB7602;

de stelling van de curator, die op grond van artikel 92 Fw beschikt over de administratie van de failliet, dat artikel 3:15j BW geen wettelijke basis biedt om hem te verplichten inzage te verstrekken in de administratie aangezien artikel 3:15j sub d BW slechts spreekt van ‘boekhouding’ en niet van ‘administratie’, gaat niet op. Deze termen moeten als synoniemen worden beschouwd. Dat artikel 3:15j BW alleen dan voor de curator een verplichting zou inhouden in het geval dat de bank vóór het faillissement het nodige zou hebben gedaan om het stille pandrecht openbaar te maken, gaat niet op. Ook indien de bank een stil pandrecht houdt, kan zij inzage vorderen en met de aldus verkregen gegevens het stil pandrecht buiten faillissement te gelde maken. Artikel 3:15j sub d BW zou nagenoeg betekenisloos zijn wanneer het niet op een geval als het onderhavige van toepassing zou zijn.

Hof Amsterdam 15 januari 2004, «JOR» 2004/62 (m.nt. Abendroth), ECLI:NL:GHAMS:2004:AO4433;

het recht op openlegging van de administratie komt in geval van faillissement toe aan de individuele schuldeiser, voor zover deze een rechtstreeks en voldoende belang heeft. De schuldeisers voeren aan dat hun belangen daarin zijn gelegen dat zij zich een oordeel willen vormen omtrent de behartiging van hun belangen door de curator bij het beheer en de vereffening van de boedel. Dit is geen rechtstreeks en voldoende belang. De Faillissementswet kent hiervoor een eigen specifieke regeling. Van een rechtstreeks en voldoende belang is sprake indien het de schuldeiser gaat om (bijvoorbeeld tegenover de betwisting door de failliet en de curator) bewijs te kunnen vergaren omtrent de omvang of hoedanigheid van zijn vordering.

Rb. Arnhem (vzr.) 21 oktober 2008, «JOR» 2009/23(m.nt. Van Andel), ECLI:NL:RBARN:2008:BG3613;

zou het de schuldeiser gaan om inzicht in het toezicht op het door de curator gevoerde beheer en beleid, dan is naast de daarvoor opgenomen regeling in de Faillissementswet geen plaats voor een vordering op de voet van artikel 3:15j BW (zie HR 21 januari 2005, NJ 2005, 250 (m.nt. PvS), «JOR» 2005/105 (m.nt. Abendroth), ECLI:NL:HR:2005:AR3406). Het toepassingsgebied van artikel 3:15j BW is ten aanzien van de administratie van de failliet beperkt tot ‘het tijdperk tot aan diens faillietverklaring’. Daarna is immers sprake van een administratie in het kader van het beheer en de vereffening van de boedel door de curator.

Rb. Breda 2 februari 2004, «JOR» 2004/90, ECLI:NL:RBBRE:2004:AO6177;

de curator heeft geen recht op onbeperkte inzage in de administratie van (klein-)dochtervennootschappen in verband met zijn onderzoek naar de geld-, diensten- en goederenstromen tussen de gefailleerde vennootschap en haar niet gefailleerde (klein)dochtervennootschappen. Ook de stelling van de curator – met een beroep op analoge toepassing van artikel 3:15j BW – dat openlegging noodzakelijk is voor een behoorlijke taakvervulling van zijn rol als curator biedt hiervoor onvoldoende grondslag. Wel heeft de curator een voldoende en rechtstreeks belang om (meer specifiek) inzage te verkrijgen in de rekeningcourantverhoudingen bezien vanuit de positie van de niet-gefailleerde (klein)dochtervennootschappen indien hij van de bestuurders van de gefailleerde vennootschappen gebrekkige en onvolledige informatie verkrijgt en nader onderzoek verricht naar bestuurdersaansprakelijkheid.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 15j.

F: Literatuurverwijzing

  • Daal, G. van, ‘Van overlegging naar openlegging: artikel 3:15b BW een Doos van Pandora?’, TvI 2003, p. 84-89.
  • Kalsbeek, G.J.R. en P.N. Malanczuk, ‘Mogelijkheden tot bewijsvergaring; recente ontwikkelingen’, Onderneming & Financiering 2011, nr. 2, p. 42-62.
  • Veersen, J.A.C. van, ‘Exhibitieplicht ex artikel 3:15j BW; een ondergeschoven kindje’, Vennootschap & Onderneming 2006, nr. 1, p. 6-10.
  • Vletter-van Dort, H.M., Gelijke behandeling van beleggers bij informatieverstrekking (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 2001, p. 269-271.
  • Wijers, W.P. en A.J. Haasjes, ‘Exhibitie in het (ondernemings)recht’, Onderneming & Financiering 2006, nr. 71, p. 49-62.