Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 97 (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 16-02-2018 door mr. F.M. van Peski

Artikel 97 Tekst van de hele regeling

1.

Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd,
tenzij het verboden is deze tot onderwerp van een
overeenkomst te maken of het registergoederen zijn.

2.

Een levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt
niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere
levering bij voorbaat heeft verkregen. Betreft het een
roerende zaak, dan werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip
dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen.

A: Inleiding

Artikel 3:97 BW regelt de levering van toekomstige goederen. Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd. Registergoederen kunnen echter niet bij voorbaat worden geleverd. Ook goederen waarvoor het verboden is deze tot onderwerp van een overeenkomst te maken, mogen niet bij voorbaat worden geleverd.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 97.

C: Kernproblematiek

C.1: Toekomstige goederen

Een toekomstig goed is een goed dat (nog) niet toebehoort aan de vervreemder. Het kan zijn dat het goed nog niet bestaat (een zogenoemd absoluut toekomstig goed). Het kan ook zijn dat het goed wel bestaat maar nog aan een ander dan de vervreemder toebehoort (een zogenoemd relatief toekomstig goed).

Registergoederen mogen niet bij voorbaat worden geleverd. Voor de definitie van registergoederen zij verwezen naar artikel 3:10 BW. De gedachte achter het verbod van de levering bij voorbaat van registergoederen is dat indien in het openbare register leveringen van toekomstige registergoederen zouden worden ingeschreven, uit het register onvoldoende duidelijk zou zijn wie op enig moment rechthebbende is van een registergoed.

In een enkel geval wordt de levering van een toekomstig goed in strijd met de goede zeden of de openbare orde geoordeeld te zijn. Het klassieke voorbeeld is de levering bij voorbaat van een niet opengevallen nalatenschap.

C.2: Wijze van levering

De wet geeft niet aanhoe toekomstige goederen bij voorbaat moeten worden geleverd. Aangenomen wordt dat toekomstige goederen op overeenkomstige wijze als bestaande goederen worden geleverd. Sommige leveringsvormen zijn echter op feitelijke gronden uitgesloten. Feitelijke overgave van een nog niet bestaande roerende zaak, niet-registergoed is feitelijk onmogelijk.

De levering bij voorbaat van toekomstige roerende zaken, niet-registergoederen wordt over het algemeen geconstrueerd als een geanticipeerd constitutum possessorium. Dit wil zeggen dat de vervreemder verklaart dat zodra hij het bezit van de zaak verkrijgt, hij de zaak zal gaan houden voor de verkrijger. Tenzij anders is overgekomen, kan de vervreemder niet terugkomen op een dergelijke verklaring van houderschap. Dit vloeit voor uit artikel 3:110 BW. Op grond van artikel 3:110 BW geldt dat indien tussen twee personen een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat hetgeen de ene zal verkrijgen door hem voor de ander zal worden gehouden, de ene het ter uitvoering van die rechtsverhouding het door hem verkregene voor de ander zal houden.

Toekomstige vorderingen op naam worden bij voorbaat geleverd door middel van een akte en mededeling aan de debiteur dan wel door middel van een authentieke of onderhandse geregistreerde akte zonder mededeling aan de debiteur. Wat betreft de levering zonder mededeling aan de debiteur bepaalt artikel 3:94 lid 3 BW dat alleen toekomstige vorderingen die zullen worden verkregen uit een ten tijde van het opmaken van de akte reeds bestaande rechtsverhouding bij voorbaat kunnen worden geleverd. Hetzelfde geldt voor de stille verpanding van toekomstige vorderingen (artikel 3:239 BW).

C.3: Bepaaldheid

De toekomstige vorderingen moeten door middel van de akte voldoende bepaalbaar zijn. Verwezen wordt naar de rechtspraak rond de artikelen 3:94 BW en 3:239 BW, zoals o.m. HR 20 september 2002, NJ 2004, 182, m.nt. WMK, JOL 2002, 484, «JOR» 2002/2 , m.nt. Faber, RvdW 2002, 145, ECLI:NL:HR:2002:AE7842). Aan de eis van voldoende bepaaldheid is over het algemeen voldaan als de akte van levering zodanige gegevens inhoudt dat aan de hand daarvan, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. Wat betreft de levering bij voorbaat van toekomstige vorderingen door akte en mededeling, zij opgemerkt dat tenminste noodzakelijk is dat de debiteur bekend is; zonder bekende debiteur kan er geen mededeling worden gedaan. Wat betreft de levering bij voorbaat van toekomstige vorderingen door een authentieke of onderhandse geregistreerde akte zonder mededeling aan de debiteur, zij opgemerkt dat niet alleen de debiteur bekend moet zijn, maar ook de rechtsverhouding waaruit de vordering zal worden verkregen.

C.4: Dubbele levering bij voorbaat

Artikel 3:97 lid 2 BW bepaalt dat een levering bij voorbaat niet werkt tegen iemand die het goed in gevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Deze regel is met name van belang voor de dubbele levering bij voorbaat van vorderingen op naam. Op grond van deze regel gaat de verkrijger krachtens de oudste levering bij voorbaat voor; de verkrijger krachtens de latere levering bij voorbaat kan zijn verkrijging niet tegenwerpen aan de eerste verkrijger.

Wat betreft roerende zaken niet-registergoederen staan de artikelen 3:110 en 3:111 BW eraan in de weg dat een tweede geanticipeerd constitutum possessorium tot stand komt. Krachtens een geanticipeerd constitutum possessorium gaat de vervreemder op het moment dat hij de zaak verkrijgt die zaak houden voor de verkrijger. Op grond van artikel 3:111 BW kan hij hier vervolgens geen verandering in brengen. De vervreemder kan derhalve niet bewerkstelligen dat hij niet voor de eerste verkrijger, maar voor de tweede verkrijger zal gaan houden (HR 24 maart 1995, NJ 1996, 158, m.nt. WMK, RvdW 1995, 81, ECLI:NL:HR:1995:ZC1680).

De tweede zin van artikel 3:97 lid 2 BW is wel van belang voor roerende zaken niet-registergoederen. Op grond van deze bepaling werkt de tweede levering vanaf het moment dat de zaak in handen van ‘tweede’ verkrijger is gekomen.

C.5: Beslag

Op grond vanartikel 475 Rv is het ook mogelijk om ‘bij voorbaat’ beslag te leggen op een toekomstige vordering die rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding. Een eerder beslag gaat boven een verkrijging krachtens een latere levering bij voorbaat (HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m.nt. HJS, RvdW 1991, 41, VN 1992, 2456, m.nt. red., ECLI:NL:HR:1991:ZC0122).

C.6: Overdracht

Het gevolg van de levering bij voorbaat is dat de verkrijger van rechtswege eigenaar wordt op het moment dat de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt. Er is dan geen nadere handeling meer nodig. Aan alle vereisten van overdracht in de zin vanartikel 3:84 BW is dan voldaan. Indien de vervreemder na de levering bij voorbaat failliet gaat of aan hem surseance van betaling wordt verleend, heeft de levering bij voorbaat geen effect, ook niet indien het goed alsnog door de boedel wordt verkregen (artikel 23 Fw en artikel 35 lid 2 Fw). Indien na de levering bij voorbaat eveneens ‘bij voorbaat’ beslag wordt gelegd, werkt de verkrijging krachtens de eerdere levering bij voorbaat jegens de beslaglegger (HR 10 januari 1992, NJ, 1992, 744 m.nt. HJS, RvdW 1992, 26, VN 1992, 361, m.nt. red., ECLI:NL:HR:1992:ZC0467).

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 97.

F: Literatuurverwijzing

Bij dit artikel is nog geen belangrijke literatuur aanwezig.