Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 6 art. 264 (Letselschade) en (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 26-09-2016 door mr. G.N. van Kooten

Artikel 264 Tekst van de hele regeling

In geval van opschorting op grond van de artikelen 262 en
263 zijn de
artikelen 54 onder b en c
en 55 niet van toepassing.

A: Inleiding

Wat betreft wetsgeschiedenis en jurisprudentie tot heden bijgewerkt.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 264.

C: Kernproblematiek

C.1: Verruiming van de opschortingsbevoegdheid

Voor wederkerige overeenkomsten en aanverwante rechtsbetrekkingen heeft de wetgever de bevoegdheid tot opschorting aanzienlijk verruimd. De beperkingen van de artikelen 6:54 onder b en c en 6:55 BW hebben geen werking in geval van opschorting op grond van de enac (artikel 6:262 BW) of de onzekerheidsexceptie (artikel 6:263 BW). Wanneer voldaan is aan de vereisten van artikel 6:262 of 6:263 BW is de teleurgestelde partij op grond van dit artikel ook bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten wanneer de nakoming van de verbintenis van haar wederpartij al blijvend onmogelijk is geworden (artikel 6:54 onder b BW), op de vordering van de debiteur geen beslag is toegelaten (artikel 6:54 onder c BW) of voor de voldoening van de verbintenis van de wederpartij zekerheid is gesteld (artikel 6:55 BW).

C.1.1: Blijvende onmogelijkheid van nakoming (artikel 6:54 sub b BW)

De rechtvaardiging voor het verruimen van de opschortingsbevoegdheid ten opzichte van afdeling 6.1.7 BW is gelegen in het nauwe verband dat vereist is voor de opschorting van de wederkerige overeenkomst. In het algemeen behoort blijvende onmogelijkheid van nakoming van de verbintenis van de wederpartij de bevoegdheid tot opschorting van de nakoming van diens vordering te doen eindigen, onverschillig of de onmogelijkheid aan de wederpartij is toe te rekenen of niet. Een opschorting in afwachting van een definitief onmogelijke nakoming zou immers een permanent karakter dragen en dus in feite degene die tot opschorten bevoegd is, in staat stellen zich eigenmachtig van zijn verbintenis te ontdoen. In geval van opschorting van een wederkerige overeenkomst of aanverwante rechtsbetrekking is een zodanige opschorting op zijn plaats ter inleiding van een mogelijke ontbinding van de overeenkomst, waardoor degene die van zijn bevoegdheid tot opschorting gebruik maakt, zich inderdaad ook definitief van zijn verbintenissen uit de overeenkomst kan bevrijden (zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 212-213).

C.1.2: Geen beslag toegelaten (artikel 6:54 sub c BW)

Vorderingen waarop geen beslag is toegelaten staan onder meer beschreven in artikel 475c Rv en de sociale zekerheidswetten. In uitzondering op artikel 6:54 onder c BW is opschorting van de nakoming van deze vorderingen wel mogelijk wanneer opschorting ex artikel 6:262 of 263 BW is toegestaan. De wetgever geeft als voorbeeld de algehele opschorting van een loonvordering zolang de werknemer door een hem toe te rekenen oorzaak niet de bedongen arbeid verricht, aangenomen dat het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld (Parl. Gesch. Boek 6, p. 214).

C.1.3: Zekerheidstelling door de wederpartij (artikel 6:55 BW)

Het opschortingsrecht dient in de eerste plaats als pressiemiddel om nakoming te verkrijgen, maar daarnaast ook als zekerheid tegen insolventie van de wederpartij. Wanneer de wederpartij zekerheid stelt voor de voldoening van de verbintenis, komt het opschortingsrecht dan ook ex artikel 6:55 BW te vervallen (Parl. Gesch. Boek 6, p. 215). Bij wederkerige overeenkomsten en aanverwante rechtsbetrekkingen kan de bevoegdheid tot opschorting ex artikel 6:264 BW niet worden ontkracht door zekerheidstelling. Het is in de ogen van de wetgever onredelijk de crediteur bij een wederkerige overeenkomst, die niet verplicht wat het eerst te presteren, te dwingen bij gebleken niet-nakoming door de wederpartij toch het eerst te presteren, tegen een zekerheid die slechts tot verhaal van schadevergoeding in geld kan dienen (Parl. Gesch. Boek 6, p. 994). Wel kunnen de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het opschortingsrecht van artikel 6:262 BW vervalt wanneer voldoende zekerheid wordt aangeboden. Daarvoor is een enkele zekerheidstelling onvoldoende, de omstandigheden van het geval zijn beslissend (Parl. Gesch. Boek 6, p. 216). Eventueel kan de rechter in kort geding in een concreet geval prestatie tegen zekerheidstelling als voorziening bij voorbaad bevelen (Parl. Gesch. Boek 6, p. 994).

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 264.

F: Literatuurverwijzing

  • Asser, C. en Jac. Hijma, Bijzondere overeenkomsten. Koop en ruil
    (Asser-Hijma 7-I*), Deventer: Kluwer 2013.
  • Brummelhuis, L.E., ‘Van Bommel/Ruijgrok anno 2005’, Executief 2005, p. 131-133.
  • Hartlief, T., Jac. Hijma en L. Reurich, Coherente instrumenten in het contractenrecht, Deventer: Kluwer 2003.
  • Hartkamp, A.S. en C. Sieburgh, Verbintenissenrecht – Algemeen Overeenkomstenrecht (Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-III*), Deventer: Kluwer 2014.
  • Klomp, R.J.Q., ‘I. Artikelsgewijs commentaar op titel 1, 2, 4 en 5’, in: E.H. Hondius (red.), Groene Serie Verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 2007.
  • Streefkerk, C.A., Opschortingsrechten, Deventer: Kluwer 2013.
  • Vries, G.J.P. de,It takes two to tango: exceptio non adimpleti contractus en ontbinding van overeenkomsten op grond van niet-nakoming’, Praktisch procederen 2004, p. 18-22.
  • Zeben, C.J. van, J.W. du Pon en M.M. Olthof, Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981.