Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 307 (Huurrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 27-12-2016 door prof. mr. A.W. Jongbloed

Artikel 307 Tekst van de hele regeling

1.

Indien overdracht door de huurder aan een derde van het in het
gehuurde door de huurder zelf of een ander uitgeoefende bedrijf gewenst wordt,
kan de huurder vorderen dat hij gemachtigd wordt om die derde als huurder in
zijn plaats te stellen.

2.

De rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het
geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts kan toewijzen, indien de
huurder of de ander die het bedrijf uitoefent, een zwaarwichtig belang heeft
bij de overdracht van het bedrijf en dat hij haar steeds afwijst, indien de
voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een volledige
nakoming van de overeenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering.

3.

De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij
een last opleggen.

A: Inleiding

Zoals bij huur woonruimte een regeling bestaat betreffende woningruil (vgl. art. 7:270 BW),
bestaat er ook een regeling bij huur van detailhandelbedrijfsruimte waarbij de
huurder een ander tegen de wil van de verhuurder de huurovereenkomst kan laten
voortzetten. In zoverre is er sprake van een bijzondere vorm van contractsoverneming
(vgl. art. 6:159
BW
). Indeplaatsstelling kan echter uitsluitend bij overdracht van het
bedrijf dat in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend en mits sprake is van een
zwaarwichtig belang. Vgl. Vzr. Almelo 20 september 2007, WR 2007, 99, TvHB 2007, 20 (Lidl/Coltavast): een huurder die in verband met de
overdracht aan een derde van het in het gehuurde door de huurder zelf of een ander
uitgeoefende bedrijf die derde als huurder in zijn plaats wil stellen, moet zelf
gedurende kortere of langere tijd betrokken zijn geweest bij de exploitatie van de
over te dragen onderneming. Het betekent dat artikel 7:307 BW niet is bedoeld om een
huurrecht over te dragen. Vgl. Vrz. Amsterdam 21 januari 2014, WR 2014, 81, ECLI:NL:RBAMS:2014:288 (Yüksek/Pronk). Het
bijzondere is dat dit de enige bepaling is waarvan zelfs niet met rechterlijke
goedkeuring kan worden afgeweken (vgl. art. 7:291 lid 2 BW). De rechter moet
beoordelen of er sprake is van een indeplaatsstelling dan wel een overdracht van
huurrechten waarna in het gehuurde een nieuw bedrijf wordt gestart. Vgl. Hof
’s-Gravenhage 31 mei 2011, «JHV»
2011/143,
ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6647 (Lidl/SWF), waar de uitkomst
in laatstgenoemde zin luidde nu in verband met de beoogde formulewijziging (van Lidl
naar Coop) geen voorraden, geen inventaris en geen leveranciers- en
servicecontracten zijn overgedragen, terwijl de bedrijfsleider en de
assistent-bedrijfsleider zo mogelijk bij Lidl in dienst zouden blijven. Overigens
mag de verhuurder zijn medewerking aan indeplaatsstelling niet weigeren omdat
kandidaat-huurder zich kritisch opstelt ter zake van plannen omtrent
herstructurering van het winkelcentrum als de zittende huurder die bevoegdheid ook
heeft. Vgl. Ktr. Deventer 26 mei 2011, Prg. 2011, 159, ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ7611 (Plus
Vastgoed/Lidl
). Uit HR 15 februari 2013, RvdW 2013, 283, TvH
B 2013, 9, ECLI:NL:HR:2013:BY5061 (Adam menwear/ID Retail) blijkt dat een mogelijkheid tot
indeplaatsstelling moet bestaan. In casu had de ‘oude’ huurder toezeggingen gedaan
ertoe strekkende dat de ‘nieuwe’ huurder de huurovereenkomst zou kunnen overnemen:
er is een ‘huurovernameovereenkomst’ gesloten. Die toezeggingen konden echter niet
worden ingelost omdat de huurovereenkomst werd beëindigd door de ‘oude’ huurder en
de ‘nieuwe’ huurder het pand moest ontruimen. Daarmee werd de
inspanningsverplichting van de ‘oude huurder’ om mee te werken aan een overdracht
van de huurrechten c.q. een indeplaatsstellingsprocedure illusoir.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 307.

C: Kernproblematiek

Op grond van tal van factoren kan de huurder tot de conclusie komen dat de periode
van de huurovereenkomst niet kan c.q. moet worden vol gemaakt. Te denken valt aan
gezondheidsproblemen van de huurder, maar ook aan de fusie van twee ondernemingen
waardoor van voorheen concurrerende filialen ineens er een ‘overbodig’ wordt. Als de
onderneming wordt overgedragen aan een derde heeft die er belang bij de onderneming
op dezelfde plaats te kunnen voortzetten. Dat zou kunnen betekenen dat de verhuurder
extra eisen gaat stellen welke mogelijk bezwarend zijn. Om te voorkomen dat zijn
positie door de verhuurder willens en weten onnodig wordt verzwaard, heeft de
wetgever het mogelijk gemaakt dat de huurder de derde naar voren schuift als nieuwe
huurder. Deze zet dan de bestaande huurovereenkomst op dezelfde voorwaarden voort.
Enerzijds blijft de huurprijs gelijk, maar anderzijds moet de nieuwe huurder bij het
eindigen van de overeenkomst het gehuurde terugbrengen in de staat welke bestond bij
het aangaan van de overeenkomst met de oorspronkelijke huurder en niet die bestond
op het moment waarop hij de overeenkomst voortzette. Vgl. Hof Leeuwarden 4 april
2007, NJF 2007, 251: indeplaatsstelling impliceert dat
een in het huurcontract bedongen doorlopende verplichting tot onderhoud op de nieuwe
huurder overgaat, en wel zoals deze vóór de in de plaatsstelling op de vorige
huurder heeft gerust. Omdat het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf moet worden
voorgezet door een derde, zal een onderhuurder niet snel in aanmerking komen (vgl.
HR 16 juni 1995, NJ 1995, 582 (Andelbeek/Tordjman)). Het begrip ‘in het gehuurde uitgeoefende
bedrijf’ verzet zich ertegen dat de nieuwe huurder een geheel andersoortig bedrijf
begint, maar mag niet zo strikt worden opgevat dat de nieuwe huurder geen enkele
koerswijziging kan inzetten, ook al omdat de tijdgeest dat voor een sluitende
exploitatie soms eist. Vgl. Ktr. Leeuwarden 15 augustus 2006, TvHB 2006, 17 (Curatoren Kral Super
Photo/BNS
): het feit dat de fotobranche zich midden in turbulente
ontwikkelingen bevindt en structurele veranderingen heeft ondergaan en nog zal
ondergaan en mogelijk mét de grijsgoed- en beeld- & geluidbranches zal opgaan in
één grote, nieuwe multimediabranche, moet worden meegewogen en leidt tot de
conclusie dat in casu wordt voldaan aan de voorwaarden voor voortzetting van het in
het gehuurde uitgeoefende bedrijf. Zo ook: Vzr. Rotterdam 18 februari 2013, WR 2013/61 (Miss Etam/Dela);
Ktr. Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:288: indien onvoldoende
duidelijk kan worden gemaakt dat de beoogde huurder dezelfde onderneming zal blijven
drijven hoeft de verhuurder geen indeplaatsstelling te dulden. De regeling van
artikel 7:307 BW is bedoeld om een bedrijf dat uitgeoefend wordt in een gehuurd
pand te verkopen en niet om een huurrecht over te dragen.

De vordering tot indeplaatsstelling moet in beginsel voor de bedrijfsoverdracht
plaatsvinden, maar geaccepteerd wordt dat dit nog plaatsvindt ‘met bekwame spoed’
(dat wil zeggen: binnen enkele weken) na de bedrijfsoverdracht of dat een verzoek
tot contractsoverneming is gedaan (waarna bij een afwijzende reactie van de
verhuurder alsnog de indeplaatsstelling moet worden gevorderd). Het is mogelijk dat
de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst vordert op grond van
wanprestatie van de huurder en de huurder de indeplaatsstelling. In een dergelijk
geval heeft de rechter de vrijheid te bepalen welke vordering als eerste wordt
behandeld, maar beide vorderingen moeten in onderling verband worden beoordeeld,
terwijl als de ontbinding wordt uitgesproken er geen grond meer is voor de vordering
van de huurder (vgl. HR 7 april 1989, NJ 1989, 552
(Hommen/Esplanade)). Evenzo kan de rechter
afhankelijk van de omstandigheden van het geval de vordering tot indeplaatsstelling
toewijzen ingeval van faillissement, waar nadat de verhuurder ex artikel 39 F heeft
opgezegd, de huurovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst eindigt op een termijn
van maximaal drie maanden. Zie ook Ktr. Nijmegen 27 augustus 2010, TvHB 2011, 1, ECLI:NL:RBARN:2010:BN5775 (Blauwe
steen
) waar de vordering werd afgewezen omdat de curator te weinig
voortvarend was geweest. Overigens is de bepaling ook toepasselijk als de
bedrijfsoverdracht door middel van een huurkoopovereenkomst zal plaatsvinden en de
huurkoper de positie van de huurder zal overnemen (vgl. HR 5 december 1972, NJ 1973, 154 (Van der
Zalm/Haamel
)).

Aan de rechter is een betrekkelijk grote mate van beoordelingsvrijheid toegekend:
hij beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval. De wetgever heeft
daarbij een correctie aangebracht door wel te eisen dat degene die het bedrijf
overdraagt een zwaarwichtig belang daarbij heeft en door te bepalen dat afwijzing
moet plaatsvinden (een verplichte afwijzingsgrond) als de voorgenomen huurder niet
voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de overeenkomst en voor
een behoorlijke bedrijfsvoering. Een en ander betekent dat de rechter allereerst
dient na te gaan of er sprake is van een zwaarwichtig belang aan de zijde van de
huurder (andere belangen komen dan nog niet aan de orde). Het betekent dat als de
vordering onvoldoende onderbouwd is, deze zal falen. Vervolgens komt de hiervoor
genoemde verplichte afwijzingsgrond aan de orde. Blijkt daarvan niet, dan volgt een
belangenafweging op grond waarvan de indeplaatstelling alsnog kan worden geweigerd
(en waarbij de andere belangen worden afgewogen). Vgl. HR 5 februari 1993, NJ 1993, 505 (Dekamarkt/Honigh)
en HR 4 oktober 2002, NJ 2002, 611 (BP/Groenendijk).

Het zwaarwichtig belang van de huurder kan velerlei zijn. Te denken valt aan fiscale
motieven, bedrijfsopvolging en inbreng in een vennootschap.

De verplichte afwijzingsgrond is opgenomen omdat de verhuurder niet mag worden
opgezadeld met een huurder die ofwel niet voldoende financiële soliditeit bezit dan
wel van wie geen behoorlijke exploitatie mag worden verwacht. Ook hier oordeelt de
rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval. Vgl. Ktr. Amsterdam 26
augustus 2003, TvHB 2004, 5, WR 2003, 76 (Vendex KBB Nederland BV, Kijkshop BV,
Scapino BV/Penningstaete BV
): de verhuurder mag in het kader van een
verzoek van de huurder tot medewerking aan een indeplaatsstelling geen financiële
waarborgen verlangen die in feite ‘faillissementsproof’ zijn. Wel behoeft de
verhuurder in het kader van de indeplaatsstelling geen genoegen te (blijven) nemen
met de (bestaande) situatie waarin in het geheel geen financiële waarborg is
bedongen. Waar in het algemeen een financiële waarborg van drie tot zes maanden
gebruikelijk is, acht de kantonrechter het aanbod van een bankgarantie van drie
maanden huur en daarnaast een concerngarantie van nog eens drie maanden huur
(alleszins) passend.

De overige in acht te nemen belangen zijn divers en deze moet de feitenrechter
beoordelen. Vgl. HR 27 januari 2006, NJ 2006, 242
(Raap/Esso): het belang dat de verhuurder heeft bij
zijn voornemen om het verhuurde tankstation aan het einde van de huurovereenkomst
met de huurder onder te brengen in een eigen organisatie, is een belang dat gewicht
in de schaal kan werpen bij de door artikel 7:307 lid 2 BW geboden belangenafweging,
maar welk gewicht aan dat belang moet worden toegekend, staat ter beoordeling van de
feitenrechter. Zie ook Ktr. Heerenveen 18 december 2007, WR 2008, 35 (Ahold/Winkelcentrum Raadhuisplein
Drachten
): Ahold heeft een zwaarwichtig bedrijfseconomisch belang bij
de indeplaatsstelling van Dekamarkt als huurder, door haar overname van een Konmar
die omgebouwd is tot een AH-supermarkt in de directe nabijheid van het gehuurde.
Daartegenover staat dat de aantrekkingskracht op het publiek van een AH-supermarkt
voor de verhuurder/exploitant van het nieuwe winkelcentrum essentieel is. De
verhuurder heeft hiervoor in de onderhandelingen met Ahold concessies gedaan, zoals
de overeengekomen mogelijkheid van onderhuur. De aantrekkingskracht van Dekamarkt op
het publiek in Friesland moet aanzienlijk minder worden ingeschat dan die van AH
aangezien Dekamarkt hier nauwelijks bekendheid geniet. De aanwezigheid van Albert
Heijn in het nieuwe winkelcentrum is ook vanwege de branchering van groot belang
voor verhuurder. Van belang is verder dat Ahold de Konmar kocht toen zij al
verplichtingen met de exploitant van het winkelcentrum was aangegaan. Huurster heeft
het ontstaan van de bedrijfseconomisch gezien ongewenste situatie dat er twee
vestigingen van AH op korte afstand van elkaar zijn aan zichzelf te wijten en daarom
kan die situatie niet tegen verhuurder worden tegengeworpen. Uit HR 5 februari 1993, NJ 1993, 505 (Dekamarkt/Honigh) blijkt dat het niet zo is dat de belangen van de
huurder aanmerkelijk zwaarder moeten wegen. Hoewel in beginsel de belangen van de
huurder en de verhuurder tegen elkaar worden afgewogen, staat niets eraan in de weg
ook het belang van de voorgenomen huurder in de beschouwingen te betrekken.

De rechter heeft de mogelijkheid de belangafweging in het voordeel van de
voorgenomen huurder te doen uitvallen door voorwaarden aan de machtiging te
verbinden of daarbij een last op te leggen. In de praktijk is het niet
ongebruikelijk dat de ‘oude’ huurder nog enige tijd borgstaat voor een regelmatige
huurbetaling, zodat de bestaande zekerheid van de verhuurder blijft bestaan. Zie ook
Ktr. Rotterdam 29 juli 2005, Prg. 2005, 190, WR 2006, 10, TvHB 2006, 3
(De Consul/Carbajal Bustios): oplegging van de last
dat in het gehuurde uitsluitend achtergrondmuziek mag worden gespeeld. Niet-nakoming
van de aan de machtiging verbonden voorwaarde heeft tot gevolg dat de machtiging als
niet verleend geldt, terwijl niet-nakoming van de last wanprestatie oplevert. Wordt
de machtiging tot indeplaatsstelling uitgesproken dan geeft dit de huurder de
mogelijkheid de voorgestelde huurder in zijn plaats te doen stellen. De
indeplaatsstelling is een feit als de huurder van deze mogelijkheid gebruik maakt en
dan vindt er contractsoverneming ex artikel 6:159 BW plaats: de nieuwe huurder neemt de
plaats van de oude huurder in en laatstgenoemde is geen contractspartij meer.

D: Jurisprudentie uitgebreid

D.1: Zwaarwichtig belang en belangenafweging

HR 4 oktober 2002, NJ 2002, 611 (m.nt. Stein), JOL 2005, 519,
RvdW 2002, 158, ECLI:NL:HR:2002:AE4079 (BP/Groenendijk);

door eerst te beoordelen of de huurder een voldoende zwaarwegend belang
heeft bij de overdracht van zijn bedrijf en vervolgens na bevestigende
beantwoording van die vraag onder ogen te zien of niettemin een
belangenafweging tot de slotsom moet leiden dat indeplaatsstelling
achterwege moet blijven, is op juiste wijze toepassing gegeven aan het in
artikel 7:307 lid 2 BW bepaalde. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting
geeft het oordeel dat het door de huurder gestelde financiële belang, te
weten het belang dat de aspirant koper/huurder bereid is de door de huurder
bedongen prijs te betalen, moet worden aangemerkt als een zwaarwegend
belang. Bij de belangenafweging dient de rechter te beslissen met
inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de
bereidverklaring van de verhuurder het bedrijf onder dezelfde voorwaarden te
kopen en het gestelde belang van de verhuurder de exploitatie van het
gehuurde zelf ter hand te nemen.

HR 5 februari 1993, NJ 1993, 506, RvdW 1993, 48, VN 1993, 1768,
ECLI:NL:HR:1993:ZC0850 (Dekamarkt/Honigh);

heeft de huurder een zwaarwichting belang en is niet gebleken dat de
voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een richtige
nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering,
dan mag de vordering tot indeplaatsstelling niettemin niet steeds zonder
meer worden toegewezen, maar dient, voor zover het verweer van de verhuurder
daartoe aanleiding geeft, een belangenafweging plaats te vinden, in het
kader waarvan rekening valt te houden met de overige door de verhuurder bij
achterwege blijven van de indeplaatsstelling aangevoerde belangen. Noch
tekst, noch strekking, noch geschiedenis van artikel 7:307 houdt in dat aan
het in aanmerking te nemen belang van de huurder enige andere eis mag worden
gesteld dan dat het ‘zwaarwichtig’ is, terwijl ook overigens geen aanleiding
bestaat een bepaalde soort van belangen van de huurder, ook als deze op
zichzelf als zwaarwichtig zouden kunnen worden beschouwd, niet of slechts
onder bepaalde omstandigheden in aanmerking te nemen. Evenmin geldt dat de
vordering tot indeplaatsstelling slechts kan worden toegewezen als de
belangen van de huurder aanmerkelijk zwaarder wegen dan die van de
verhuurder, respectievelijk als deze niet bereid zou zijn het bedrijf over
te nemen op voorwaarden die niet ongunstig afsteken bij die welke de huurder
van de door hem gewenste kandidaathuurder heeft kunnen bedingen.

D.2: Voorwaarden indeplaatsstelling

HR 8 mei 1992, NJ 1992, 690, RvdW 1992, 135,
ECLI:NL:HR:1992:ZC0596 (Schuitema Zuid/Schuitema Vastgoed);

onjuist is de opvatting dat artikel 7:307 BW slechts toepassing kan vinden
wanneer het gaat om een huurder die tevens ondernemer is en die zijn in het
gehuurde uitgeoefende bedrijf wil overdragen. De rechter kan echter, wanneer
hij op de voet van artikel 7:307 lid 2 BW moet beslissen, rekening houden
met de omstandigheid dat de huurder niet zelf in het gehuurde een bedrijf
uitoefent.

HR 16 juni 1978, NJ 1979, 22 (m.nt. Stein),
ECLI:NL:HR:1978:AC6284 (Schellekens/Mavo);

nu blijkens de memorie van toelichting huuroverdracht uitsluitend in
aanmerking komt in verband met overdracht van het bedrijf, betekent dit dat,
indien de machtiging niet voor de bedrijfsoverdracht is gevraagd, voor
toepassing van de bepaling alleen plaats is indien de huurder zo spoedig
mogelijk na de bedrijfsoverdracht het nodige heeft gedaan om tot
huuroverdracht te geraken.

Hof Arnhem-Leeuwarden zp. Leeuwarden, 25 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1379 (café-restaurant in
Noordpolderzijl);

de erfgenamen hebben gevorderd dat iemand anders in hun plaats als huurder
wordt aangemerkt. Deze vordering heeft het hof ook afgewezen. Eén van
degenen die als huurder zou gaan fungeren, heeft zich zo onbetamelijk over
de gemeente en haar burgemeester uitgelaten dat het onredelijk zou zijn om
de gemeente tegen haar wil met zo'n huurder op te zadelen.

Ktr. Amsterdam 6 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9591;

als een huurder van 290-bedrijfsruimte vooruit loopt op de
indeplaatsstellingsprocedure door de beoogde opvolger het gehuurde alvast in
gebruik te gegeven handelt hij in strijd met de overeenkomst, maar
ontbinding is niet gerechtvaardigd als de vordering tot indeplaatsstelling
van huurder wordt toegewezen.

Rb. Amsterdam 21 januari 2014, WR 2014, 81, ECLI:NL:RBAMS:2014:288 (Yüksek/Pronk & Zn Beheer o/g
B.V.);

de indeplaatsstellingsregeling is in artikel 7:307 BW opgenomen om een
bedrijf, dat vanuit een gehuurd bedrijfspand wordt gedreven, te verkopen. De
regeling is niet bedoeld om een huurrecht over te dragen. Wanneer niet
voldoende aannemelijk is dat de door de beoogde kandidaat in het gehuurde te
drijven onderneming dezelfde is als de onderneming van huurder prevaleert in
beginsel het recht van de verhuurder om haar eigen contractspartij te kiezen
in plaats van een indeplaatsstelling te moeten dulden.

Ktr. Nijmegen 27 augustus 2010, «JOR» 2011/132, Prg. 2010, 217, TvHB
2011, 1, ECLI:NL:RBARN:2010:BN5775 (Blauwe steen);

heeft de curator van een gefailleerde huurder van 290-bedrijfsruimte aan de
verhuurder laten weten dat hij streeft naar indeplaatsstelling en in
onderhandeling is met overnamekandidaten, dan kan de verhuurder desondanks
de huurovereenkomst opzeggen ex artikel 39 Faillissementswet als de
curator nalaat gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat de voorgedragen
kandidaat voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de
huurovereenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering. Er is onder die
omstandigheden geen sprake van misbruik van bevoegdheid als wordt
gepersisteerd bij de huurbeëindiging.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 307.

F: Literatuurverwijzing

  • Abas, P., Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van
    het Nederlands burgerlijk recht. 5. Bijzondere overeenkomsten. Deel IIa.
    Huur
    , Deventer: Kluwer 2007, nr. 318-297.
  • Bonder, A., ‘Indeplaatsstelling en “handel in huurcontracten”’, HIP 2010, p. 152-156.
  • Borst, F., 'Geen goodwill, geen indeplaatsstelling', TVHB 2014, p. 340/341.
  • Brouwer, B.W., ‘Indeplaatsstelling door splitsing?’, TvHB 2010, p. 192-197.
  • Dijk, J., ‘De evolutie van de indeplaatsstelling’, TvHB 2004, p. 132-135.
  • Evers, M.F.A., Huurrecht bedrijfsruimten, Deventer:
    Kluwer 2011, p. 219-233.
  • Jonge, A.R. de, Huurrecht, Den Haag: Boom
    Juridische uitgevers 2013, p. 503-511.
  • Kerpestein, G.M., Huurrecht Bedrijfsruimte, Den
    Haag: Sdu Uitgevers 2014, p. 653-666.
  • Oijen, M.A.C. van en A.W. Jongbloed, ‘Indeplaatsstelling’, TvHB 2012, p. 4-19.
  • Oijen, M.A.C. van en A.W. Jongbloed, ‘Indeplaatssteling’, in: N. Eeken-Amiel
    e.a. (red.), Handboek Huurrecht Bedrijfsruimte,
    Deventer: Den Hollander 2013, p. 121-146.
  • Steenmetser, T.H.G. en A.A.K. Sinnige, ‘Indeplaatsstelling: van dwingend naar
    semi-dwingend recht?’, TvHB 2011, p. 17-22.
  • Verbaas, T. en G.J. Osinga, ‘Kroniek Indeplaatsstelling’, TvHB 2008, p. 7-10.
  • Verbaas, T. en G.J. Osinga, ‘Kroniek Indeplaatsstelling’, TvHB 2010, p. 206-209.