De opbouw van het vennootschapsrecht (2010.2.2010)


Van Schilfgaarde vraagt in een WPNR-bijdrage de grote lijn in het oog te houden bij de aan de gang zijnde wetgevingsoperatie inzake de flex- bv en de personenvennootschappen. Hij betreurt dat niet van de gelegenheid gebruik gemaakt is zich fundamenteel te bezinnen over het ontbreken van wettelijk onderscheid tussen beursvennootschap en niet-beursvennootschap en het bestaan van de BV naast de NV. 
Ook onvoldoende bezinning heeft plaatsgevonden op de verhouding tussen flex-bv en OVR (de openbare personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid). De auteur onderschrijft het voorstel van Raaijmakers om de OVR uit het wetsvoorstel voor titel 7:13 te schrappen. Hij gaat in op de betekenis van titel 1 Boek 2 in het licht van de rechtspersoonlijkheid van de OVR. We krijgen met de invoering van de OVR een nieuwe categorie rechtspersonen waarvoor de titel algemene bepalingen van Boek 2 ook niet gaat gelden. Daarmee verliest het begrip “rechtspersoon” veel van zijn ordenende functie. 
De auteur vraagt zich ook af of de OVR in een behoefte zal voorzien. Wat levert die rechtspersoonlijkheid de vennoten van de OVR op? Zouden de vennoten niet beter voor de flex-bv kunnen kiezen, waardoor de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten in beginsel komt te vervallen. De auteur doet ook een suggestie om de vennoten die in een flex-bv verder willen gaan maar de vennootschap niet onder de vennootschapsbelasting willen laten vallen tegemoet te komen: als in de statuten van de bv zou worden vermeld dat aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schulden van de vennootschap zou, aldus de auteur, voldoende reden zijn het fiscaal regiem van de personenvennootschap van toepassing te laten zijn. Zo ontstaat ook fiscale flexibiliteit. De auteur meent dat de OVR zal verhinderen dat er een mooie vloeiende overgang zal zijn tussen flex-bv en personenvennootschap. 

P. van Schilfgaarde, WPNR 2009/6822 p. 961 (KdL)

Verder lezen
Terug naar overzicht