ECLI:NL:CRVB:2017:1894 Centrale Raad van Beroep , 23-05-2017 / 14-3985 WWB

Uitspraak

14/3985 WWB, 14/3986 WWB, 14/3987 WWB, 14/3988 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juni 2014, 12/4410, 12/4408, 13/2012 en 13/2017 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (college)

Datum uitspraak: 23 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Roozemond. Tevens is verschenen [naam P] (P). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Drijftholt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt met ingang van 1 januari 1985 bijstand, ten tijde hier van belang naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante staat met ingang van 15 november 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) van de gemeente Ouder-Amstel op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van het Project Handhaving in januari 2010 heeft een medewerker van de gemeente Ouder-Amstel een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, informatie ingewonnen bij de woningbouwvereniging en waarnemingen nabij het uitkeringsadres verricht. Hieruit blijkt onder meer van een vermoeden dat appellante en P op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voeren. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 maart 2010 en vormden aanleiding het onderzoek over te dragen aan de sociale recherche van de gemeente Haarlemmermeer (sociale recherche). De sociale recherche heeft nader onderzoek gedaan en onder meer getuigen gehoord, waaronder de zoon van P en buurtbewoners van het uitkeringsadres en het adres van P in [plaatsnaam] , op 14 februari 2012 de woning op het uitkeringsadres doorzocht en afschriften van bankrekeningen van appellante en van P gevorderd en onderzocht. Verder heeft de sociale recherche appellante op 14, 15, 16 en

20 februari 2012 en P op 14, 15 en 16 februari 2012 verhoord. De bevindingen van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 8 mei 2012.

1.3.

Naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van de sociale recherche, neergelegd in een rapportage van 27 februari 2012, heeft het college bij besluit van 27 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit 1), de uitbetaling van de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 februari 2012 geblokkeerd.

1.4.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 11 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2007 ingetrokken en per 11 april 2012 beëindigd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in ieder geval met ingang van 1 april 2007 kan beschikken over de tegoeden van twee voor het college onbekende bankrekeningen, een ABN AMRO-rekening op naam van P en een

Rabobank-rekening op naam van de zoon van P, en feitelijk gebruik maakt van deze bankrekeningen. Tevens heeft het college aan de besluitvorming ten grondslag dat appellante met ingang van 15 november 2007 een gezamenlijke huishouding met P voert en vanaf die datum niet als zelfstandig subject van bijstand is aan te merken. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan van het kunnen beschikken over de twee bankrekeningen noch van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

1.5.

Bij besluit van 13 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 maart 2013 (bestreden besluit 3), heeft het college, voor zover hier van belang, de over de periode van

1 april 2007 tot 11 april 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 34.949,66 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag om bijstand heeft het college bij besluit van 28 augustus 2012 het bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag gegrond verklaard en aan appellante met ingang van 17 april 2012 opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Bij uitspraak van 6 juni 2014 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2012 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan appellante met ingang van 5 april 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het college gelet op de onderzoeksbevindingen voldoende heeft onderbouwd dat appellante en P in de periode vanaf 14 februari 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres en dat aan appellante in die periode ten onrechte als zelfstandig subject bijstand is verleend. De rechtbank acht de onderzoeksbevindingen onvoldoende voor de conclusie dat P ook voor die datum zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Ten aanzien van de periode vanaf 1 april 2007 heeft appellante kunnen beschikken en ook daadwerkelijk beschikt over de tegoeden op de bankrekeningen op naam van P en op naam van diens zoon. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting voor wat betreft de bankrekeningen kan niet worden vastgesteld, of, en zo ja in hoeverre appellante nog heeft verkeerd in bijstandbehoevende omstandigheden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

blokkering

4.1.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1147), is het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand rechtmatig indien het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop duiden dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om alvast tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.

4.1.2.

Niet in geschil is dat, gelet op de in de rapportage van 27 februari 2012 neergelegde bevindingen van de sociale recherche over de doorzoeking van het uitkeringsadres en de bankrekeningen, er ten minste het gegronde vermoeden was om aan te nemen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting had geschonden. Het betoog van appellante dat het college reeds eerder tot blokkering van het uitbetalen van de bijstand had kunnen overgaan, wat daar ook van zij, maakt niet dat het college niet kon besluiten tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand aan appellante met ingang van 1 februari 2012.

intrekking

4.2.

De in dit geding nog te beoordelen periode loopt, gelet op de in 1.6 genoemde toekenning van bijstand, van 1 april 2007 tot 5 april 2012 (te beoordelen periode).

4.3.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust.

4.4.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

bankrekeningen

4.5.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt - behoudens tegenbewijs - mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.6.

Vaststaat dat beide bankrekeningen in de te beoordelen periode op naam van P en op naam van diens zoon stonden, zodat de in 4.5 bedoelde situatie zich hier niet voordoet. Gelet op 4.3 rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat appellante in de te beoordelen periode kon beschikken over de tegoeden op beide bankrekeningen dan ook op het college.

4.7.1.

Het betoog van appellante dat de verklaringen van P niet bij de besluitvorming mochten worden betrokken omdat er onjuistheden in deze verklaringen staan en hij deze niet heeft getekend, faalt. De in de processen-verbaal van 14, 15 en 16 februari 2012 opgenomen verklaringen van P zijn concreet, gedetailleerd en niet innerlijk tegenstrijdig. De sociaal rechercheurs hebben de verklaringen aan P voorgelezen en hij heeft daarin volhard. P heeft de verklaring van 14 februari 2012 ondertekend en heeft op 15 en 16 februari 2012 te kennen gegeven dat hij op advies van zijn advocaat de verklaringen niet wil ondertekenen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding P niet te houden aan zijn verklaringen die zijn opgenomen in de door de sociale recherche op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal.

4.7.2.

P heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij twee bankrekeningen heeft, waarvan de bankrekening bij de ABN AMRO op naam van zijn zoon staat. Appellante heeft van beide bankrekeningen een bankpas, waarvan P de pincode aan haar heeft gegeven, zodat zij via internet betalingen kan doen. P heeft verklaard dat vanaf beide bankrekeningen betalingen voor appellante worden gedaan. P heeft verder verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de bankrekeningen.

4.7.3.

De verklaring van P dat appellante de beschikking had over de bankpassen van beide bankrekeningen komt bovendien overeen met de verklaring van appellante op 15 februari 2012. In de enkele omstandigheid dat appellante haar verklaring evenmin heeft ondertekend, is gelet op het in 4.7.1 genoemde geen aanleiding gelegen haar niet te houden aan haar verklaringen die zijn opgenomen in de door de sociale recherche op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Uit deze processen-verbaal blijkt dat ook appellante na voorlezing in haar verklaring heeft volhard. Dat appellante de beschikking heeft gehad over de bankpassen blijkt ook uit de aangifte van appellante van 14 augustus 2009 van diefstal van haar portemonnee en de in deze portemonnee bevindende bankpas van de

ABN AMRO-rekening op naam van de zoon van P. Verder is in de woning van appellante ook de pincode van een bankpas van de Rabobank-rekening op naam van P aangetroffen. Uit de bankafschriften van beide bankrekeningen blijkt dat in de te beoordelen periode periodieke en incidentele betalingen werden gedaan ten behoeve van appellante. Hieruit blijkt dat betalingen ten behoeve van appellante zijn gedaan aan onder meer KPN, Neckermann, Nuon en de tandarts en staat bij verschillende omschrijvingen de naam van appellante vermeld.

4.7.4.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellante in de te beoordelen periode heeft kunnen beschikken over de tegoeden op deze bankrekeningen en hierover ook feitelijk heeft beschikt. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.1.

Appellante is hierin niet geslaagd. Weliswaar zijn de afschriften van beide bankrekeningen voorhanden en zijn deze door de sociale recherche onderzocht, maar anders dan appellante heeft betoogd, geven deze afschriften onvoldoende inzicht in de wijze waarop zij gebruik heeft gemaakt van (de tegoeden op) de bankrekeningen. De sociale recherche heeft geconcludeerd dat via deze bankrekeningen onder meer transacties door, voor of namens appellante worden gedaan. Dat daarbij een opsomming is opgenomen van deze transacties, betekent niet dat het gebruik van de tegoeden van deze bankrekeningen tot die bedragen beperkt is gebleven. Op de afschriften van beide bankrekeningen staan immers tevens diverse pintransacties en pinopnames vermeld, waarvan niet duidelijk is wie deze heeft verricht en evenmin aan wie de transacties en opnames ten goede zijn gekomen. Dit betekent dat appellante onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geldstromen op deze bankrekeningen.

gezamenlijke huishouding

4.9.

Het geschil in hoger beroep voor zover het betreft de conclusie van het college dat appellante en P een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd is beperkt tot de periode van 14 februari 2012 tot 5 april 2012 (periode hier in geding).

4.10.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.11.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en P stonden in de periode hier in geding op verschillende adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Vergelijk de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370.

4.12.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat appellante en P in de periode hier in geding beiden hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante op het uitkeringsadres. Daartoe is het volgende van belang.

4.12.1.

P is tijdens de doorzoeking op 14 februari 2012 in de woning van appellante aangetroffen. Uit de bevindingen van de doorzoeking blijkt dat tevens diverse persoonlijke goederen van P verspreid door de woning zijn aangetroffen. Zo zijn in de slaapkamers onder meer kleding van P, waaronder diens bedrijfskleding, administratie van P, waaronder een beoordelingsformulier van diens werkgever, een herengeur en medicijnen van P aangetroffen. Verder is in de keuken eveneens administratie van P aangetroffen, waaronder een brief van TV-film van 4 januari 2012 geadresseerd aan P op het uitkeringsadres. In de woonkamer zijn sloffen van P en in de hal schoenen en een jas van P aangetroffen.

4.12.2.

Uit de verklaring van de zoon van P van 14 februari 2012 blijkt dat in de woning van P op dat moment geen kleding van P en ook geen schoenen van P in de woning aanwezig waren. De administratie van P bevond zich evenmin in deze woning. De zoon van P heeft verder verklaard dat hij samen met P in het aangetroffen tweepersoonsbed slaapt en dat hij de helft van de huur betaalt.

4.12.3.

P heeft op 16 februari 2012 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij wel naar zijn eigen huis gaat ondanks dat hij daar weinig of geen kleding heeft. Hij neemt dan een tasje met kleding vanuit de woning van appellante mee. Hij eet wel met appellante. P betaalt de boodschappen en appellante doet dit af en toe als zij geld over heeft. Verder heeft hij verklaard dat hij twee tot drie, drie tot vier keer per week of soms helemaal niet in de woning van appellante verblijft. Wel huurt P een parkeerplek in de parkeergarage nabij de woning van appellante, vanaf welke plek hij ook vertrekt naar zijn werk. Over zijn woning in [plaatsnaam] heeft hij verklaard dat hij op een matras op de grond slaapt en dat er tussen de kleding van zijn zoon ook nog kleding van P hangt. Op 15 februari 2012 heeft P verklaard dat hij de huur van zijn woning in [plaatsnaam] betaalt en geen huur vraagt van zijn zoon.

4.12.4.

De rechtbank heeft terecht gewicht toegekend aan de tegenstrijdige verklaringen van P en zijn zoon over de slaapplek van P, de aanwezigheid van zijn kleding en over wie de huur betaalt, en heeft gelet daarop de stelling van appellante dat P zijn hoofdverblijf in zijn eigen woning in [plaatsnaam] heeft niet aannemelijk geacht.

4.13.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien, Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.14.

De onderzoeksbevindingen bieden tevens een toereikende grondslag voor de conclusie dat in de periode hier in geding sprake is van wederzijdse zorg. Dat sprake is van een verdergaande financiële verstrengeling tussen appellante en P blijkt reeds uit 4.7.4. Naast de omstandigheid dat appellante kon beschikken over de tegoeden op de bankrekeningen van P blijkt uit de in 4.12.3 genoemde verklaringen van P dat hij de boodschappen betaalde en dat appellante dit soms deed. Ook heeft hij onder meer verklaard dat appellante zijn financiële zaken verzorgde en dat zij samen eten.

4.15.

Uit 4.9 tot en met 4.14 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en P in de periode hier in geding een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Anders dan appellante heeft betoogd, bestaat geen grond voor de conclusie dat de situatie na 14 februari 2012 is gewijzigd. Dat de sociale recherche na 21 maart 2012, op welke datum een buurtbewoner en een oud-bewoner van het uitkeringsadres respectievelijk het adres van P zijn gehoord, geen op de gezamenlijke huishouding gerichte onderzoeksactiviteiten meer heeft verricht, betekent niet dat aan de daaraan voorafgaande in 4.9 tot en met 4.14 genoemde onderzoeksbevindingen geen betekenis meer toekomt. Nu geen aanwijzingen voorhanden zijn om aan te nemen dat een wijziging is opgetreden in de feitelijke woon- en leefsituatie, zoals deze naar voren is gekomen uit de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, vormen deze onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat in de gehele hier in geding zijnde periode sprake is van een gezamenlijke huishouding.

terugvordering

4.16.

Appellante heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen nadere bespreking behoeft.

conclusie

4.17.

Uit 4.1 tot en met 4.16 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD

Verder lezen