ECLI:NL:CRVB:2017:2026 Centrale Raad van Beroep , 06-06-2017 / 16/694 PW

Uitspraak

16/694 PW

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

17 december 2015, 15/5433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok.

De Raad heeft het onderzoek heropend en het college schriftelijk een aantal vragen gesteld. Het college heeft daarop gereageerd en stukken overgelegd. Appellant heeft op de beantwoording door het college van de vragen gereageerd en stukken overgelegd, wat vervolgens heeft geleid tot een nadere reactie van het college.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, laatstelijk sinds 29 juli 2013, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij stond tot 10 november 2014 ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Bij besluiten van respectievelijk 25 juli 2014 en 28 juli 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 22 juli 2014 beëindigd en over de periode van 29 juli 2013 tot en met 21 juli 2014 ingetrokken omdat hij niet aan op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan. Appellant heeft niet gereageerd op oproepen voor een gesprek over de rechtmatigheid van zijn uitkering, waardoor het recht op bijstand vanaf 29 juli 2013 niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 14 augustus 2014 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 tot een bedrag van

€ 9.792,30 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bij een ongedateerd schrijven, aan de balie afgegeven op 2 juni 2015, bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit berust op de grondslag dat appellant de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift heeft overschreden en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij niets wist van de genomen besluiten omdat die besluiten aan het uitkeringsadres zijn gestuurd waar hij sinds juni 2014 niet meer woonde omdat het pand niet meer bewoonbaar was. Dit was volgens appellant bij het college bekend. De verhuurder, [naam verhuurder], heeft in een e-mail van 7 juli 2014 aan de medewerker van de gemeente Ede [naam medewerker] (volgens het college ter zitting van de Raad fraudepreventiemedewerker) gemeld dat appellant vanaf 1 juni 2014 van dat adres is vertrokken. Sindsdien had appellant geen vast adres meer. Door de besluiten naar zijn oude adres te sturen zijn die niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Appellant vernam pas bij een bezoek aan de gemeente in april 2015 dat hij een schuld van bijna € 10.000,- bij de gemeente had. Hij heeft op 16 april 2015 telefonisch contact opgenomen met de afdeling Werk, Participatie en Inkomen, waarna de besluiten over de beëindiging, intrekking en de terugvordering zijn verzonden naar het adres [adres 1] te [woonplaats], waar hij sinds 30 januari 2015 staat ingeschreven. Appellant heeft vervolgens bezwaar gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het college is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat het bezwaar van appellant alleen gericht is tegen het terugvorderingsbesluit van 14 augustus 2014. In het advies van de commissie voor de bezwaarschriften aan het college wordt echter vermeld dat aangenomen kan worden dat het bezwaarschrift ook tegen de andere besluiten is gericht. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit het bezwaarschrift niet dat appellant het bezwaar heeft willen beperken tot het terugvorderingsbesluit. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift niet specifiek verwezen naar de data van (een van) de besluiten en heeft deze ook niet bijgevoegd. Hij vermeldt in zijn bezwaarschrift dat hij volgens de gemeente in 2013/2014 onterecht uitkering zou hebben gehad, maar dat dit absoluut niet het geval is. Voorts vermeldt hij dat hij het absoluut niet eens is met deze beslissing en dat hij wil dat de schuld wordt opgeheven. Hieruit leidt de Raad af dat het bezwaar is gericht tegen alle drie besluiten die onder 1.2 zijn genoemd.

4.2.

Voorop staat dat appellant verplicht is om een wijziging in zijn woonsituatie aan het college kenbaar te maken. Dat de verhuurder aan het college heeft meegedeeld dat appellant per 1 juni 2014 van het uitkeringsadres is vertrokken, doet daar niet aan af. Het college hoeft niet af te gaan op mededelingen van derden. Bovendien is bij de mededeling van de verhuurder geen nieuw adres van appellant vermeld. Het argument van appellant dat het college hem op zijn mobiele telefoon of per e-mail had kunnen bereiken kan niet worden gevolgd. Het college is niet gehouden besluiten (ook) op andere wijze dan door verzending per post naar het laatst bekende adres bekend te maken. Het college mocht daarom de besluiten van 25 en 28 juli 2014 aan het laatst bekende adres van appellant sturen, zodat de bekendmaking van die besluiten op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Omdat het bezwaarschrift pas op 2 juni 2015 door het college is ontvangen is de voor de indiening van het bezwaar geldende termijn van zes weken overschreden. Het verzuim om het college in kennis te stellen van de wijziging in zijn woonsituatie komt voor rekening van appellant waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is.

4.3.

Wat onder 4.2 is overwogen ten aanzien van de bekendmaking van de in juli 2014 genomen besluiten geldt niet voor het terugvorderingsbesluit van 14 augustus 2014. Appellant heeft zich op 13 augustus 2014 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand, dus daags voordat het besluit van 14 augustus 2014 werd genomen. Op 26 augustus 2014 heeft het college naar aanleiding van die melding een brief aan appellant gestuurd, geadresseerd [adres 2] te [woonplaats]. Dit is het aan appellant toegekende briefadres. De Raad heeft aan het college verzocht om mee te delen welk adres van appellant bij de melding is geregistreerd en wanneer het briefadres aan appellant is toegekend. Het college heeft hierop geantwoord dat bij de melding waarschijnlijk geen adres is geregistreerd omdat appellant eerder een uitkering had ontvangen en het adres dus nog in het systeem stond. Het briefadres is formeel toegekend per 6 november 2014, maar mogelijk eerder aan appellant meegedeeld. Dit valt niet meer te achterhalen. In artikel 44, tweede lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd. Er voetstoots van uitgaan dat een tijdens een voorgaande bijstandsperiode geregistreerd adres nog juist is verdraagt zich niet met deze bepaling. Het adres had bij de melding geverifieerd moet worden. Hieruit volgt dat de bekendmaking van het terugvorderingsbesluit van 14 augustus 2014 op die datum niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

4.4.

De bekendmaking van het terugvorderingsbesluit van 14 augustus 2014 heeft pas plaatsgevonden nadat dit besluit met een begeleidend schrijven van 17 april 2015 aan het nieuwe adres van appellant is verzonden. Appellant heeft de verzending van dit besluit op de datum 17 april 2015 niet bestreden, zodat van deze datum moet worden uitgegaan als datum van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de bezwaartermijn van zes weken aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat de termijn is gaan lopen op zaterdag 18 april 2015 en met inachtneming van artikel 1 van de Algemene termijnenwet is afgelopen op maandag 1 juni 2015. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Dit betekent dat het bezwaarschrift, dat aan de balie is afgegeven op 2 juni 2015, een dag te laat is ingediend. Appellant heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Het college heeft daarom terecht het bezwaarschrift tegen het besluit van 14 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard, zij het op andere gronden dan die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit en door de rechtbank zijn onderschreven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD