ECLI:NL:OGHACMB:2017:49 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 23-05-2017 / AR 1130/13 - ghis 72913 - H 124/15

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 1130/13 - ghis 72913 - H 124/15

Uitspraak: 23 mei 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,

tegen

de naamloze vennootschap

[GEÏNTIMEERDE] N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed.

De partijen worden hierna weer [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 20 december 2016 heeft het Hof een datum voor contra-enquête bepaald. Op 14 februari 2017 heeft [appellant] drie getuigen in contra-enquête doen horen. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Op 28 maart 2017 heeft [appellant] een conclusie ingediend. [geïntimeerde] heeft daarvan afgezien. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Grief 6 heeft betrekking op de door het GEA toegewezen tegenvordering van [geïntimeerde] van Afl. 18.205,00 voor de levering van water en elektra.

2.2

De Construction Agreement bepaalt onder meer:

"ARTICLE 5. GENERAL PROVISIONS

1. Any additional work or services shall be agreed to in writing, signed by both parties.

2. (...)

3. Client shall obtain water and electricity on work place necessary for the work to be

performed."

2.3

Een redelijke uitleg van art. 5 lid 3 van de Construction Agreement brengt mee dat indien [appellant] niet gratis het water en de elektriciteit aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld dat/die [geïntimeerde] redelijkerwijs nodig had om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren en [geïntimeerde] redelijke kosten heeft gemaakt en heeft moeten maken om zelf daarin te voorzien, [geïntimeerde] die kosten bij [appellant] in rekening kan brengen. Daarvoor is, anders dan [appellant] bij grief 6 heeft aangevoerd, geen schriftelijke overeenkomst als bedoeld in art. 5 lid 1 van de Construction Agreement nodig.

2.4

Bij grief 6 heeft [appellant] voorts aangevoerd niet in gebreke te zijn gesteld in verband met water en elektra. Dit verweer is onvoldoende uitgewerkt om te kunnen slagen.

2.5

Bij het vonnis van 18 augustus 2015 heeft het Hof [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat zij drie watercontainers en een hoeveelheid water heeft moeten kopen, gedurende zeven maanden generatoren heeft moeten huren en voor die generatoren diesel heeft moeten kopen om de werkzaamheden aan de woning te kunnen doen.

2.6

Bij conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie heeft [appellant] als productie 10 schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden werkzaam bij het bouwbedrijf [Bouwbedrijf], inhoudende dat zij ook bij de woning voor [appellant] hebben gewerkt, dat er een gemeenschappelijke open kraan beschikbaar was en dat er nooit gebrek was aan water of elektriciteit.

2.7

Bij akte van 20 september 2016 heeft [geïntimeerde] een aantal facturen van [vennootschap 1] N.V. aan [geïntimeerde] overgelegd, voorzien van data uit de periode 30 september 2011-25 mei 2012. De inhoud daarvan kan als volgt worden samengevat:

Omschrijving Bedrag (Afl.)

Drie watercontainers 405,00

Huur generator 8.680,00

Omzetbelasting over de huur 130,20

Diesel 3.580,00

------------ +

Totaal 12.795,20

2.8 [

betrokkene 3] heeft als getuige onder meer verklaard:

"Ik weet dat [betrokkene 4] ook voor [appellant] heeft gewerkt in verband met dat huis. (...) Het was een groep Arubanen die voor of met [betrokkene 4] werkten. (...) Zij werkten op het dak. De mensen die op het dak werkten hadden geen water nodig. Zij hadden wel elektriciteit nodig voor zaagwerkzaamheden in het hout. Daarvoor gebruikten ze hun eigen generator. Ze gebruikten dus in beginsel niet de generator van [betrokkene 4]. Maar af en toe hebben ze wel de generator van [betrokkene 4] gebruikt."

G. [betrokkene 1] (van wie ook een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht) heeft als getuige onder meer verklaard:

"Om aan water te komen ging ik naar een kraan die een paar blokken verder aanwezig was. (..) [I]edereen kon die gebruiken zonder ervoor te hoeven betalen. (...) Er waren (...) ook twee andere aannemers actief. Die maakten op dezelfde manier als ik gebruik van die kraan.

Ik had ook elektra nodig. Hiervoor gebruikte ik een generator die [betrokkene 4] had gekocht en aan mij had uitgeleend."

[appellant] (partij in deze zaak) heeft als getuige onder meer verklaard:

"[betrokkene 4] gebruikte water uit een kraan die ter beschikking was gesteld door [bedrijf]. (...) Iedereen kon het water uit die kraan gratis gebruiken. (...) Die kraan stond ongeveer twintig meter van waar mijn huis zou komen. Ik had daar drums staan en [betrokkene 4] vulde die bij de kraan. (...)

[betrokkene 4] gebruikte elektra. Daarvoor had hij zijn eigen generator. (...) Volgens mij liep die generator op diesel."

2.8

Het Hof acht op grond van de facturen en de getuigenverklaringen bewezen dat [geïntimeerde] enige kosten heeft moeten maken om over elektriciteit te kunnen beschikken, nodig voor de werkzaamheden aan de woning. Dat geldt niet voor het water. Het Hof zal de voor elektriciteit redelijkerwijs benodigde en gemaakte kosten ex aequo et bono begroten op Afl. 5.000,00.

De tegenvordering van Afl. 18.205,00 is dus slechts tot dat bedrag toewijsbaar.

2.10

De vorderingen zijn over en weer gedeeltelijk toewijsbaar.

De proceskosten in eerste aanleg zullen daarom zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd. Het hoger beroep van [appellant] heeft in overwegende mate succes. Daarom zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten daarvan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om Afl. 5.000,00 aan [geïntimeerde] te betalen tegen bewijs van kwijting;

wijst af het meer of anders door [geïntimeerde] gevorderde;

compenseert de kosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.244,00 aan verschotten (waarvan Afl. 10,00 taxe voor de getuige) en Afl. 7.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S.A. Carmelia, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.