ECLI:NL:PHR:2017:435 Parket bij de Hoge Raad , 18-04-2017 / 16/04788

Uitspraak

Nr. 16/04788

Zitting: 18 april 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:


[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2015 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2.

Namens de verdachte is op 16 oktober 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens de daarop gezette stempel op 23 september 2016 bij de Hoge Raad ingekomen. De inzendtermijn van acht maanden is derhalve overschreden. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.

3.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt mede gelet op de toelichting dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘mishandeling’, door het opzet in te lezen in die term, een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend waardoor het hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging. Het hof had de verdachte dan ook dienen te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het middel laat zich gelet op die conclusie ook zo verstaan dat het mede klaagt over de kwalificatie van het bewezenverklaarde.

4.2.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 8 september 2014 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, zijn echtgenote, [slachtoffer], heeft mishandeld door haar (met een vuist) te slaan en/of aan de haren de trap af te slepen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen.”

4.3.

Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 8 september 2014 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, zijn echtgenote, [slachtoffer], heeft mishandeld door haar te slaan en aan de haren de trap af te slepen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft bekomen.”

4.4.

Het hof heeft deze bewezenverklaring, zoals hiervoor reeds onder 1 is weergegeven, gekwalificeerd als “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot”. Het hof heeft in het bestreden arrest onder ‘toepasselijke wettelijke voorschriften’ onder meer genoemd de artikelen 300 en 304 Sr.

4.5.

Ik merk op dat blijkens de processtukken bij het hof1 niet is geklaagd over de gebrekkige tenlastelegging. Wellicht heeft de verdediging zich in hoger beroep geconformeerd aan de uitleg die – kennelijk - de rechtbank, die ook al ter zake van mishandeling veroordeelde aan de tenlastelegging heeft gegeven. Niettemin mag men in cassatie ook wel ‘rauwelijks’ klagen over de kwalificatie.2 Men kan zich echter wel afvragen wat het belang van de verdachte is bij vernietiging van het bestreden arrest, nu het openbaar ministerie bij een hernieuwde behandeling van de zaak eenvoudig via een vordering wijziging tenlastelegging het bestanddeel “opzettelijk” aan de tenlastelegging kan toevoegen. Ik zie desalniettemin aanleiding om het cassatiemiddel te bespreken, aangezien de materie enerzijds dogmatisch belangwekkend is maar ook relevant kan zijn voor de rechtspraktijk.

4.6.

Ik stel voorop dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om de tenlastelegging uit te leggen, waarbij hij kan letten op de opbouw van de tenlastelegging in haar geheel en het onderling verband van haar onderdelen. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid. Zolang die uitleg niet in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging, zal zij door de Hoge Raad worden geëerbiedigd.3 Volgens Corstens is een redelijke uitleg van de tenlastelegging het richtinggevende uitgangspunt, dat wil zeggen een uitleg die recht doet aan de bedoelingen van een redelijke steller van een tenlastelegging.4

4.7.

De op art. 300 (en art. 304) Sr toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring houden, voor zover van belang, in dat de verdachte zijn echtgenote heeft mishandeld door haar te slaan en aan de haren de trap af te slepen, waardoor zij pijn heeft bekomen. Mishandeling is een wat bijzonder delict, nu art. 300 Sr geen definitie geeft van wat onder mishandeling moet worden verstaan. De Hoge Raad vult die leemte echter aan: hij verstaat onder 'mishandeling' in de zin van art. 300 Sr “het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat”.5 Hoewel in deze definitie niet van opzet wordt gesproken, is uiteraard opzet, gericht op het veroorzaken van pijn of letsel bij dit misdrijf wel vereist.6 Het opzetvereiste volgt bij sommige delicten, waaronder mishandeling, zowel uit de aard van het feit als uit de omstandigheid dat deze delicten misdrijven (en geen overtredingen) betreffen.7 Dat de Hoge Raad het opzet in de zojuist gegeven definitie niet noemt moet dus als reden hebben dat de Hoge Raad alleen een omschrijving geeft van het ‘gevolg’ van de mishandeling: niet enkel lichamelijke pijn of letsel valt daaronder. Dat het veroorzaken van deze gevolgen opzettelijk dient te geschieden om als het misdrijf te worden gekwalificeerd is om andere redenen kennelijk vanzelfsprekend genoeg. Opvallend is wel in de beschrijving door de Hoge Raad dat hij als (impliciet) bestanddeel van mishandeling wel expliciet de ‘wederrechtelijkheid’ benoemt: “een en ander” levert mishandeling op indien dat geschiedt “zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.”

4.8.

Overeenstemming tussen de tenlastelegging en de delictsomschrijving waarop die tenlastelegging is gebaseerd is van belang voor de kwalificatiebeslissing. Niet elk bestanddeel van de toepasselijke strafbepaling behoeft echter expliciet in de bewezenverklaring te worden genoemd. Wel moeten alle bestanddelen ten minste in de tenlastelegging en bewezenverklaring besloten liggen.8 Een aardig voorbeeld van dat laatste dat ook op het delict mishandeling betrekking heeft biedt HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6569. Daarin had het hof bewezenverklaard dat de verdachte “(…) opzettelijk vuurwerk heeft afgestoken in de nabijheid van een persoon (…) ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gehoorbeschadiging) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.” De Hoge Raad oordeelde dat het hof de tenlastelegging kennelijk in die zin heeft verstaan dat de verdachte opzettelijk mishandelend vuurwerk heeft afgestoken in de nabijheid van een persoon, welke uitleg de Hoge Raad niet onverenigbaar achtte met haar bewoordingen.9 Uitgaande van die lezing was behalve het opzet op het afsteken van het vuurwerk ook het opzet op de mishandeling in de tenlastelegging voldoende uitgedrukt. Tegelijkertijd is met die lezing ook de wederrechtelijkheid, als (impliciet) bestanddeel van mishandeling in de tenlastelegging uitgedrukt.

4.9.

Ook het opzet kan als besloten liggende in de tenlastelegging worden aangemerkt. Dat hangt echter wel af van de wijze van tenlasteleggen en het delict waarop die tenlastelegging ziet. In de eerste plaats vermeld ik HR 29 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6309, NJ 1966/395. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de in de tenlastelegging ter zake van art. 157 Sr voorkomende term ‘in brand steken’ kennelijk heeft opgevat en ook heeft kunnen opvatten als aangevende een opzettelijk handelen. Dat lijkt me een kwestie van ‘algemeen spraakgebruik’. Een andere zaak, te weten HR 27 juni 1995, NJ 1996/126 maakte deel uit van een aantal proefprocessen waarin gebruik werd gemaakt van vereenvoudigde tenlasteleggingen die voornamelijk in feitelijke bewoordingen waren gegoten.10 In de genoemde zaak was de tenlastelegging kennelijk toegesneden op art. 350 Sr, ingevolge welke bepaling vernieling slechts strafbaar is indien deze opzettelijk en wederrechtelijk is geschied. De Hoge Raad overwoog dat vernieling naar algemeen spraakgebruik ook anders dan opzettelijk en wederrechtelijk kan geschieden en dat in die zin, gelet op de context, ook de term 'vernielt' in art. 350 Sr is gebezigd. De termen ‘opzettelijk’ en ‘wederrechtelijk’ of een nadere omschrijving daarvan ontbraken echter in de tenlastelegging. De Hoge Raad oordeelde dat, nu het hof er niet van uitgegaan was dat zulks op een kennelijke misslag berustte, het hof door bewezen te verklaren dat de verdachte de tenlastegelegde vernieling 'opzettelijk' en 'wederrechtelijk' heeft verricht, de grondslag van de tenlastelegging had verlaten. Hier speelt naar ik meen niet slechts het spraakgebruik als wel ook de juridische context van het begrip ‘vernielen’ een rol. Waar het delict zowel opzet als wederrechtelijkheid – expliciet - als bestanddeel benoemt is het niet goed werkbaar om dat alles met een beroep op het ‘algemene spraakgebruik’ in te lezen in een tenlastelegging.

4.10.

Waar brengt ons dat in de onderhavige zaak? Uit het voorgaande blijkt in ieder geval dat het opzet bij een delict als ‘mishandeling’ moet worden uitgedrukt in de tenlastelegging, hetzij door het woord zelf daarin op te nemen, hetzij door een omschrijving op te nemen waarin het opzet is opgesloten.11 Het hof heeft de tenlastegelegde en bewezenverklaarde gedragingen die zijn opgenomen na de woorden “heeft mishandeld door”, in het bijzonder “het slaan en aan de haren de trap af te slepen” van het slachtoffer, naar ik meen zonder meer kunnen opvatten als gedragingen die naar algemeen spraakgebruik opzet op mishandeling uitdrukken. Anders dan bijvoorbeeld vernieling12, kan “slaan” en “aan de haren de trap af slepen” naar algemeen spraakgebruik immers niet anders dan met opzet (op het toebrengen van pijn of letsel), in ieder geval in voorwaardelijke vorm, geschieden. Zo oordeelde de Hoge Raad reeds in 193413 over het slaan ofwel het geven van een klap “dat uit het bewezen feit, dat requirant op H. afkwam en hem toen een pijnlijken klap op den schouder gaf, het voor mishandeling vereischte opzet kan worden afgeleid.” In de onderhavige zaak ligt het mijns inziens net zo: het vereiste opzet kan uit het slaan enz. worden afgeleid.

4.11.

In het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde feit kan worden gekwalificeerd als “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot” in de zin van art. 300 jo. 304 Sr ligt, zo concludeer ik, besloten zijn niet onbegrijpelijke uitleg van de tenlastelegging, dat het opzet voldoende duidelijk tot uitdrukking is gebracht in de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke gedragingen. Van grondslagverlating is geen sprake en het hof heeft het bewezenverklaarde dan ook terecht als mishandeling gekwalificeerd.

4.12.

Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat het hof “ten onrechte” het verweer dat de verdachte aangeefster niet heeft mishandeld door haar te slaan, heeft verworpen, althans dat het hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

5.2.

Hetgeen door de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting is aangevoerd houdt kort gezegd in dat de verdachte zijn echtgenote niet heeft geslagen maar dat hij haar in haar gezicht heeft geduwd.

5.3.

Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij zijn echtgenote niet heeft geslagen, kennelijk niet geloofwaardig geacht. Dat oordeel hoefde het hof niet nader te motiveren, ook niet gelet op hetgeen is aangevoerd.

5.4.

Voor zover het middel blijkens de toelichting nog klaagt dat het hof zijn oordeel dat ‘slaan’ en ‘duwen’ met elkaar gelijk kunnen worden gesteld nader had moeten motiveren, faalt het eveneens. De gebezigde bewijsmiddelen houden inderdaad als verklaring van de aangeefster in dat de verdachte haar in haar gezicht heeft geslagen en als verklaring van de verdachte dat hij haar in haar gezicht heeft geduwd. Ik lees hierin echter geen tegenstrijdigheid nu het hof de verklaring van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus heeft uitgelegd dat deze steun geeft aan de verklaring van de aangeefster dat zij is geslagen.

5.5.

Het middel faalt.

6. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt. Het derde middel faalt eveneens en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1
Wat bij de rechtbank is aangevoerd is niet na te gaan in cassatie, nu slechts een aantekening mondeling vonnis is opgemaakt.
2
Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 299 die een verband legt met het aloude credo ‘ius curia novit’: waarschuwing door een verweer is in dit verband geen voorwaarde voor de juiste toepassing van het recht.
3
HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2939. Zie voorts A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 239.
4
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 735.
5
HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402 en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1237.
6
Zo ook A.J.M. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 300 Sr, bijgewerkt tot 26 mei 2015 (online). Verder overweegt mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie van 4 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2255, par. 8 dat onder “mishandeling (…) moet worden verstaan het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel of pijn”. C.P.M. Cleiren definieert ‘mishandeling’ als het “opzettelijk toebrengen van lichaamspijn of lichamelijk letsel”; Tekst en Commentaar Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, aant. 1 bij art. 300 Sr. Zie voorts HR 30 januari 1934, W 12703.
7
J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 219 en 220.
8
B.F. Keulen en G. Knigge, m.m.v. D.H. de Jong, Strafprocesrecht, Ons strafrecht deel 2, 2010, p. 420.
9
Alsmede gelet op de vermelding in de dagvaarding van art. 300 Sr als het toepasselijke wetsartikel.
10
Zie ook HR 27 juni 1995 NJ 1996/127, welk arrest wat minder relevant is voor de beoordeling van de onderhavige zaak.
11
Zo ook A.J.M. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 300 Sr, bijgewerkt tot 26 mei 2015 (online versie).
12
Zie hiervoor onder paragraaf 4.9 en het daarin besproken arrest HR 27 juni 1995, NJ 1996/126.
13
HR 30 januari 1934, W 12703.