ECLI:NL:RBAMS:2016:9733 Rechtbank Amsterdam , 19-09-2016 / 13/701246-16 en 13/657131-12 (TUL)

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/701246-16 en 13/657131-12 (TUL)

Datum uitspraak: 19 september 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen


[naam verdachte]
,

geboren te Amsterdam op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2016.

1.2

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Lonterman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Primair

hij op of omstreeks 07 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan het/de oor(schelp) en/of de gehoorgang en/of het trommelvlies, heeft toegebracht, door met dat opzet vuurwerk naar en/of in de richting van voornoemde [naam slachtoffer] te gooien;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 07 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet vuurwerk naar en/of in de richting van voornoemde [naam slachtoffer] heeft gegooid;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 07 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend vuurwerk naar en/of in de richting van [naam slachtoffer] heeft gegooid, waardoor voornoemde [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 7 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten 2, althans één of meer banger(s) voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Uit de aangifte blijkt dat aangever [naam slachtoffer] , nadat verdachte het vuurwerk in zijn supportersvak had gegooid, niets meer hoorde, anders dan een heel harde piep, en pijn in beide oren voelde. Het is echter niet bekend of hij heden nog (permanent) last heeft van gehoorschade. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat aan [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte dient dan ook van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Dit ligt anders ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Vast staat dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk naar beneden heeft gegooid. Verdachte bekent dit ook. Voorts blijkt uit de letselverklaring dat aangever een prednisonkuur heeft gekregen tegen de pijn en dat het gehoor mogelijk permanent is beschadigd. Het handelen van verdachte had derhalve tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. Tevens is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte had misschien niet de intentie om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar hij heeft wel willens en wetens de kans aanvaard dat iemand zwaar lichamelijk letsel kon oplopen door het gooien van het vuurwerk, nu het voetbalstadion vol stond met mensen. Gezien de knallen die het eerdere gegooide vuurwerk maakte, had verdachte ook kunnen en moeten afleiden dat het niet om klein vuurwerk ging dat hij gooide.

Het onder 2 ten laste gelegde kan eveneens bewezen worden verklaard op grond van het proces-verbaal van onderzoek naar het inbeslaggenomen vuurwerk en de verklaring van verdachte dat hij vuurwerk uit de doos had gepakt en dit nog in zijn zakken had zitten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van zowel het onder 1 primair als het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde kan niet worden vast gesteld welk (permanent) letsel aangever heeft opgelopen. Het enige wat uit het dossier valt af te leiden is een piep in de oren en de constatering van een harde knal.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was, nu niet kan worden vastgesteld dat er iemand in de ‘slotgracht’ aanwezig was, de plek waar verdachte het vuurwerk heen wilde gooien. Verdachte heeft de kans ook niet (bewust) aanvaard, nu het nimmer zijn bedoeling is geweest om het vuurwerk in zijn eigen supporters vak te gooien.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu niet kan worden vast gesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr. Verdachte zal van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Het is een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van vuurwerk in de directe nabijheid van personen gemakkelijk kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Dit geldt te meer voor het afsteken van vuurwerk dat niet is bestemd voor particulier gebruik, zoals in het onderhavige geval. Ook verdachte is zich, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, op zichzelf bewust geweest van de risico’s die het afsteken van dergelijk vuurwerk met zich brengen, nu vlak daarvoor een andere supporter soortgelijk vuurwerk in zijn eigen supportersvak had gegooid en dit vuurwerk een flinke en harde knal opleverde. Verdachte had misschien niet de intentie om het vuurwerk in het supportersvak beneden hem te laten belanden, maar hij heeft door het gooien van het vuurwerk naar beneden, richting de ruimte tussen tribune en speelveld, welke ruimte de rechtbank in navolging van de verdediging zal duiden als ‘gracht’, een te lichtvaardig risico genomen. Door het afsteken van vuurwerk en dit vuurwerk vervolgens weg te gooien in een druk en vol voetbalstadion, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel kon toebrengen aan (een van de) aanwezigen in het stadion. Met name nu hij bij het gooien van het vuurwerk ook enige afstand moest overbruggen. Tussen zijn vak en de gracht zat namelijk nog een supportersvak, waar het vuurwerk ook daadwerkelijk terecht is gekomen. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Gelet op het onderzoek naar het inbeslaggenomen vuurwerk en de verklaring van verdachte, kan het onder 2 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde:

op 7 februari 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet vuurwerk in de richting van voornoemde [naam slachtoffer] heeft gegooid;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

op 7 februari 2016 te Amsterdam, opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten 2 bangers, voorhanden heeft gehad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 91 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering. Tevens heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Voorts heeft zij verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen en deze om te zetten in een taakstraf.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om geen taakstraf op te leggen, dan wel subsidiair de door de officier van justitie geëiste straf aanzienlijk te matigen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft tijdens een voetbalwedstrijd professioneel vuurwerk, niet bestemd voor particulier gebruik, afgestoken en vervolgens gegooid in het stadion, waarna deze tot ontploffing kwam tussen toeschouwers. Als gevolg hiervan heeft aangever [naam slachtoffer] pijn en letsel ondervonden. De rechtbank acht het afsteken van dergelijk vuurwerk in zijn algemeenheid zeer gevaarzettend en dit geldt te meer wanneer dit vuurwerk tijdens een drukbezochte voetbalwedstrijd in het stadion wordt afgestoken. Dit zeer gevaarzettende gedrag van de verdachte had ook tot zeer ernstig lichamelijk letsel kunnen leiden. Dit weegt strafverzwarend mee. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij meteen openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd.

Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2016, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten en andersoortige strafbare feiten.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het rapport d.d. 27 juni 2016 van de reclassering, opgemaakt door [naam reclasseringsmedewerker 1] . Het rapport houdt – zakelijk weergegeven – in dat sprake is van een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte en dat het huidige toezicht (dat tot september 2016 loopt) een positieve invloed heeft gehad. In het rapport is geadviseerd om geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Ter terechtzitting is op deze conclusie teruggekomen door reclasseringswerker [naam reclasseringsmedewerker 2] . [naam reclasseringsmedewerker 2] heeft – zakelijk weergegeven – aangegeven dat het enerzijds de goede kant op gaat met verdachte, maar dat aan de andere kant toch nog reclasseringstoezicht nodig is, zodat de positieve lijn die verdachte volgt wordt voortgezet en er controle is.

Gelet op voornoemd advies zal de rechtbank een gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarde. Tegelijkertijd acht de rechtbank het van belang dat aan verdachte, gelet op de ernst van de feiten, ook een taakstraf wordt opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 10 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/657131-12 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 3 september 2013 van de rechtbank te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 9 oktober 2013 aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten van een gedeelte, te weten één maand van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straf, met dien verstande dat deze wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 45, 57, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkwerkbesluit.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 91 (éénennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

zich gedurende de proeftijd van twee jaren bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam zal melden, zo frequent en zo lang de reclassering dat wenselijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 3 september 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, voor de duur van 1 (één) maand, in zoverre dat in plaats daarvan een taakstraf wordt opgelegd, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.B. de Boer, voorzitter,

mrs. F.M. Wieland en S.A. Krenning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2016.