ECLI:NL:RBDHA:2017:4888 Rechtbank Den Haag , 09-05-2017 / AWB - 16 _ 7081

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/7081 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Verkroost).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) ontslag verleend wegens wangedrag.

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is van de zijde van verweerder verschenen [persoon 1] .

Overwegingen

1.1

Eiser is op 16 januari 2006 aangesteld bij het Korps Mariniers. Sinds 8 november 2013 is hij ingedeeld bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) van de Koninklijke Marechaussee (KMar) en is hij gestart met de basisopleiding. Deze opleiding is afgebroken in verband met een incident en het daarop volgende strafrechtelijk onderzoek (zie 1.2). Eiser had de rang van wachtmeester der eerste klasse en was nog geen opsporingsambtenaar.

1.2

Op 24 november 2013 heeft de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de KMar een melding ontvangen, inhoudende dat bij de politie een strafrechtelijk onderzoek gaande was in verband met de mogelijke betrokkenheid van eiser bij een misdrijf. Eiser zou mogelijk een bedwelmend middel in het drankje van een vrouw (Lizzy) hebben gedaan, waardoor zij onwel was geworden. De SIO heeft het onderzoek van de politie overgenomen.

1.3

Op 24 november 2013 heeft een vrouw (Lizzy) een informatief gesprek gehad met de politie, omdat eiser haar die dag in haar ouderlijk huis zou hebben gedrogeerd door middel van het toedienen van drugs in haar thee. Zij is na het drinken van thee onwel geworden en door haar broer naar het ziekenhuis gebracht.

1.4

Op 26 november 2013 heeft Lizzy aangifte gedaan tegen eiser.

Op 26 november 2013 is de bij eiser in gebruik zijnde personenauto onderzocht, waarbij onder meer gripzakjes met - naar later is gebleken - restanten MDMA, een blauw zwaailicht en een busje pepperspray zijn aangetroffen.

Op 28 november 2013 zijn bij onderzoek in de woning van eiser onder meer een vouwmes, vier patroonmagazijnen en een vuurpijl (lawinepijl) aangetroffen.

1.5

Eiser is op 5 december 2013 gehoord door de brigadecommandant BSB naar aanleiding van het door de SIO ingestelde onderzoek. Bij ongedateerde brief is eiser medegedeeld dat hem op 5 december 2013 mondeling is aangezegd dat hij met ingang van 5 december 2013 met toepassing van artikel 34, tweede lid, onder c, van het AMAR, wordt geschorst in zijn ambt met behoud van bezoldiging. Dit in verband met een ernstige verdenking van wangedrag, omdat eiser als verdachte is aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek naar het drogeren van een vrouw.

Op 28 juli 2014 heeft de SIO het strafrechtelijk rapport afgerond en aan het Openbaar Ministerie (OM) aangeboden. Verweerder heeft het strafrechtelijk dossier in oktober 2014 ontvangen van het OM.

Eiser is op 14 november 2014 gehoord in het kader van mogelijk te nemen disciplinaire maatregelen. De SIO heeft een aanvullend disciplinair onderzoek gedaan en hiervan op 31 maart 2015 een rapport aangeboden. Eiser is nogmaals gehoord op 23 april 2015.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.6

Bij vonnis van de militaire kamer van team strafrecht van de rechtbank Gelderland,

zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2016 is eiser vrijgesproken van - samengevat - het op of omstreeks 24 november 2013 (opzettelijk) drogeren van een vrouw (Lizzy) door middel van het toedienen van MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) in haar thee. Voorts is eiser vrijgesproken van het op of omstreeks 26 november 2013 opzettelijk aanwezig hebben gehad van gripzakjes MDMA in de door eiser gebruikte auto. Genoemde feiten kunnen niet bewezen worden geacht.

Het op of omstreeks 26 november 2013, al dan niet opzettelijk, een hoeveelheid professioneel vuurwerk voor particulier gebruik, te weten één signaalraket of lawinepijl, voor handen hebben gehad in zijn woning wordt bewezen geacht. Eiser wordt schuldig verklaard zonder hem een straf op te leggen.

Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

1.7

Bij het bestreden besluit van 9 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2 Verweerder heeft eiser verweten dat hij zich heeft ingelaten met (hard)drugs.

Eiser werd ervan verdacht dat hij één of meerdere personen heeft gedrogeerd. Voorts zijn in de door eiser op de kazerne geparkeerde auto twee gripzakjes met een geringe hoeveelheid MDMA aangetroffen. Voorts zijn bij eiser andere niet toegestane zaken aangetroffen, te weten in voornoemde auto een gas-busje pepperspray en in zijn huis een lawinepijl, vier patroonhouders, een klein vouw-mes en een blauw zwaailicht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het samenstel van eisers verklaringen en ontkenningen ter zake van de verweten gedragingen, ondanks dat hij ter zake van twee verdenkingen is vrijgesproken door de strafrechter, een dermate ongeloofwaardig geheel vormt, dat zij het vertrouwen in eisers integriteit als militair is kwijtgeraakt.

3 Eiser heeft - samengevat - aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verweten (strafrechtelijke) gedragingen. Hij stelt dat verweerder onvolledig onderzoek heeft verricht naar het waarheidsgehalte van de afgelegde verklaringen in de strafzaken en naar de vraag of al dan niet sprake is van valse aangiftes en verklaringen jegens eiser. De rechtbank heeft op 6 juni 2016 vonnis gewezen, waarbij eiser werd vrijgesproken van de zwaarste strafrechtelijke verwijten. De officier van justitie requireerde tevens tot een vrijspraak van deze feiten. Eiser is alleen veroordeeld wegens een overtreding met betrekking tot het voorhanden hebben van een lawinepijl. Hiervoor is geen straf opgelegd. Eiser stelt dat het gestelde wangedrag niet vaststaat, dat het hem vooralsnog niet kan worden toegerekend en dat het ontslag zeer onevenredig moet worden geacht.

Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de gevallen van de kapitein [persoon 2] , de kolonel [persoon 3] en de wachtmeester [persoon 4] .

4.1

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2

Ter zake van de uitvoering van het drugsbeleid Defensie maakt verweerder gebruik van Aanwijzing SG (Secretaris-Generaal) A/925 (de Aanwijzing). In het sanctiebeleid dat in de Aanwijzing is opgenomen, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Als hoofdregel voor ontslag wordt voorgedragen de militair die binnen of buiten het grondgebied van Nederland:

a. harddrugs of softdrugs bereidt, bewerkt, verwerkt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of zich daar op enigerlei wijze mee inlaat;

b. harddrugs aanwezig heeft (ongeacht de hoeveelheid).

4.3

Naar vaste jurisprudentie hanteert de Centrale Raad van Beroep (de Raad) ter zake van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim terzake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Deze maatstaf is evenzeer aangewezen voor het onderhavige ontslag dat is gebaseerd op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

(CRvB 29 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6967, op het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 28 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:25207).

4.4

In artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW1931) is bepaald dat een uitspraak van de strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de militaire ambtenaar aan enig feit is schuldig verklaard, in een militaire ambtenarenzaak geldt als bewijs van dat feit.

Uit vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 15 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0297) blijkt voorts dat vrijspraak door de (militaire) politierechter niet van doorslaggevende betekenis is. De bestuursrechter moet het door de minister gestelde wangedrag beoordelen los van hetgeen in het strafproces is overwogen en geoordeeld.

In het ambtenarentuchtrecht gelden niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Hetzelfde uitgangspunt heeft te gelden voor het ontslag van een militair ambtenaar wegens wangedrag, zoals geregeld in het AMAR (CRvB 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2349).

Drogeren van een vrouw (Lizzy)

5.1

Lizzy heeft verklaard dat zij nooit een relatie of conflict heeft gehad met eiser.

Op zondag 24 november 2013 rond 11.00 uur bevond zij zich in haar ouderlijk huis met haar broer en drie vrienden (Sander, tevens huisgenoot van eiser, Raoul, tevens broer van eiser, en eiser). Zij zat op de bank huiswerk te maken. Haar broer is in de sportruimte van het huis gaan sporten met de vrienden. Sander en Raoul hebben begin van de middag de woning verlaten en haar broer wilde even met de sportauto van hun vader gaan rijden. Eiser heeft gezegd dat hij niet mee wilde gaan met haar broer, omdat hij liever onder de zonnebank ging. Haar broer heeft de woning verlaten. Zij bevond zich alleen met eiser in de woning. Eiser had al vaker thee ingeschonken die dag, waarbij hij een theepot heeft gebruikt. Eiser heeft haar gevraagd of zij nog thee wilde. Hij is met haar mok naar de keuken gegaan en heeft thee voor haar ingeschonken. Vervolgens ging eiser naar een andere ruimte in de woning om gebruik te maken van de zonnebank. Na enkele minuten is hij teruggekeerd en daarna heeft hij wederom in de keuken een mok thee voor haar ingeschonken. Na het drinken van de thee is zij onwel geworden, heeft zij - gelet op de verschijnselen - het idee gekregen dat eiser haar drugs had toegediend en heeft zij haar broer via haar mobieltje een bericht gestuurd. Ze heeft haar broer in de garage getroffen. Het volgende dat zij zich kon herinneren was dat zij door haar broer naar het ziekenhuis werd gebracht. Daar is zij in een slechte trip geraakt. Later heeft zij vernomen dat haar broer eiser heeft weggestuurd. Bij terugkeer in de woning op dezelfde avond heeft zij gezien dat alle gebruikte mokken omgespoeld in de wasbak lagen. Zij denkt dat eiser dit heeft gedaan

Eiser heeft tijdens de hoorzitting op 5 december 2013 verklaard dat hij Lizzy kent, maar niet met haar omgaat. Hij heeft die dag thee gezet met de theepot, hij heeft Lizzy geen eten of drinken aangeboden toen hij alleen was met haar in de kamer en hij heeft voor haar geen thee ingeschonken. Hij is wel enkele momenten alleen met haar in de kamer geweest, maar er waren meer mensen aanwezig in huis. Lizzy is op enig moment ziek geworden en zij heeft contact met haar broer opgenomen via haar mobiel. Eiser is achter Lizzy aangelopen naar de kelder van het tweede huis, waar hij Lizzy met haar broer zag praten. Voorts heeft eiser verklaard dat hij aanneemt dat Lizzy in dat weekend haar verjaardag uitbundig heeft gevierd, waarbij waarschijnlijk ook drugs zijn gebruikt en dat zij iets heeft bedacht om hem de schuld te kunnen geven. Hij heeft ook verklaard dat Lizzy hem heeft gezegd dat vriendinnen van haar spul hadden, waarmee ze zes uur konden studeren. Eiser heeft gesuggereerd dat Lizzy dat misschien ook wel heeft genomen en daardoor niet lekker is geworden.

Tijdens de hoorzitting op 23 april 2015 heeft eiser medegedeeld dat Lizzy drugs gebruikt en Concerta, wat volgens eiser een soort MDMA is en kan zorgen voor een bad trip. Concerta wordt gebruikt voor betere concentratie.

Tijdens de hoorzitting op 19 december 2015 heeft eiser verklaard dat hij wel weet dat hij iedereen thee heeft aangeboden, maar dat hij zich niet kan herinneren dat hij specifiek aan Lizzy thee heeft gegeven. Hij heeft één keer thee gemaakt. Uiteindelijk was hij samen met Lizzy en haar broer aanwezig in huis. Lizzy is naar haar broer gelopen, omdat zij zich niet lekker voelde.

5.2

De rechtbank overweegt allereerst dat eiser en Lizzy oppervlakkige kennissen van elkaar waren. Lizzy heeft bij het informatief gesprek met de politie op 24 november 2013 reeds verklaard dat zij die dag geen alcohol, medicijnen of drugs heeft gebruikt, dat zij op haar verjaardag de dag daarvoor geen alcohol heeft gebruikt en dat zij vijf weken daarvoor XTC heeft gebruikt. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat Lizzy heeft geprobeerd eigen gebruik van drugs of medicatie te verdoezelen en de schuld hiervan op eiser te laden. De aannames van eiser dat Lizzy zelf drugs of medicatie heeft genomen, waardoor zij onwel is geworden, zijn niet onderbouwd en worden derhalve niet gevolgd.

Uit de verklaringen in het strafrechtelijk dossier blijkt dat Sander en Raoul samen met de broer van Lizzy hebben gesport, dat eiser in een andere ruimte en buiten het zicht van de anderen is gaan sporten en dat Sander en Raoul enige tijd na het sporten zijn vertrokken. Eiser is niet meegegaan met de broer van Lizzy om in de sportauto te gaan rijden en is met Lizzy achtergebleven in de woning. Eiser heeft zich derhalve op momenten afgezonderd en is enige tijd alleen geweest met Lizzy. De rechtbank overweegt dat uit de door eiser op 19 december 2015 afgelegde verklaring ook volgt dat eiser thee heeft aangeboden aan Lizzy. Niet in geschil is dat eiser thee heeft gezet. Eiser en Lizzy waren de enigen die thee hebben gedronken. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de verklaring van Lizzy dat eiser in de keuken (meerdere malen) thee voor haar heeft ingeschonken. Nu voorts vaststaat dat Lizzy onwel is geworden na het drinken van de thee en uit onderzoek is gebleken dat haar bloed en urine evenals (een residu uit) de gebruikte theepot MDMA bevatten, acht de rechtbank het - met verweerder - aannemelijk dat eiser Lizzy heeft gedrogeerd met MDMA in haar thee.

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft meegewogen dat eiser in 2012 een andere vrouw (Eva) na een feestje naar huis heeft gebracht met de auto, dat hij haar een drankje heeft aangeboden, dat Eva slaperig werd en dat zij niet meer weet wat er daarna is gebeurd en dat zij in haar eigen bed wakker is geworden. Ook heeft verweerder meegewogen dat eiser in juli 2008 werd verdacht van het met GHB drogeren van een 15-jarige meisje (Laurentia). Zij is na een feestje door eiser opgehaald en naar een ander adres gebracht. Daar heeft eiser er op aangedrongen dat zij een drankje zou opdrinken. Laurentia is ziek geworden en zij weet niet meer wat er is gebeurd. Zij is in het ziekenhuis wakker geworden en in haar bloed en urine is GHB aangetroffen. De aangifte van Laurentia heeft niet geleid tot vervolging.

De rechtbank overweegt dat verweerder de eerdere situaties heeft mogen meewegen, nu in die gevallen eenzelfde handelwijze van eiser naar voren komt. Eiser is ook in die gevallen enige tijd alleen geweest met de meisjes, heeft hen een drankje aangeboden en daarna zijn de meisjes onwel geworden. Eiser heeft tijdens het onderzoek niet willen verklaren over deze gevallen.

Daarnaast heeft verweerder meegewogen dat uit onderzoek van eisers computer is gebleken dat eiser drugs-gerelateerde zoekslagen heeft verricht op het internet. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat dit enkel verband hield met het feit dat eiser, zoals hij heeft gesteld, na een feestje op 16 november 2013 een persoon - die vermoedelijk onder invloed was van verdovende middelen - bij de eerste hulp heeft afgezet en dat zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Uit de gedingstukken blijkt dat de drugs- respectievelijk MDMA-gerelateerde zoekslagen niet alleen in november 2013, maar ook reeds in april 2013 zijn verricht.

Op grond van bovenstaande en bij gebrek aan een voldoende geloofwaardige verklaring van eiser acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser Lizzy heeft gedrogeerd.

Drugs in de auto

6 Op 26 november 2013 zijn bij onderzoek in de door eiser op de kazerne geparkeerde auto gripzakjes met restanten MDMA aangetroffen. Eiser heeft op 12 december 2013 verklaard dat de auto op naam van zijn moeder staat en dat hij deze auto het meeste gebruikt. Hij heeft de auto op 25 en 26 november 2013 naar de kazerne gereden in verband met een cursus. Op 27 mei 2014 heeft hij verklaard dat hij, dan wel zijn moeder, de auto dagelijks bij zich heeft. Voorts heeft hij verklaard dat hij de auto wel eens uitleent aan vrienden, maar dat hij niet weet wanneer hij de auto voor het laatst heeft uitgeleend. Op 14 november 2014 heeft eiser verklaard dat hij hoofdgebruiker is van de auto.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser de hoofdgebruiker van de auto was op het moment dat daarin de zakjes werden aangetroffen. Eiser heeft verklaard dat de aangetroffen gripzakjes niet van hem zijn en dat hij niet weet van wie de gripzakjes zijn. De rechtbank acht de enkele ontkenning van eiser over zijn betrokkenheid hierbij niet geloofwaardig, nu ook hier geen sprake is van enige plausibele verklaring op dit punt.

7.1

Uit hetgeen is overwogen bij 5.1 tot en met 6, volgt dat eiser, zoals verweerder heeft gesteld, in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing door zich op zijn minst twee maal in te laten met (hard)drugs. Verweerder heeft dit terecht aangemerkt als wangedrag. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit wangedrag eiser niet kan worden toegerekend. Verweerder was reeds op grond hiervan bevoegd eiser ontslag te verlenen wegens wangedrag. Het verlenen van ontslag op deze grond is voorts geschied in overeenstemming met het eiser bekende drugsbeleid van verweerder. Eiser heeft geen gronden aangevoerd die zouden moeten leiden tot afwijking van het beleid. Verweerder heeft niet ten onrechte groot gewicht gehecht aan het feit dat eiser werkzaam is bij de KMar en aan eisers hoedanigheid als (toekomstig) opsporingsambtenaar. In het door verweerder gehanteerde drugsbeleid - als vastgelegd in de Aanwijzing - gelden voor de KMar-militairen onder meer ten aanzien van drugs immers strengere eisen (zero-tolerance) dan voor overige militairen. Bij afweging van de betrokken belangen heeft verweerder voorts in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het organisatiebelang – dat bij de KMar moet worden voldaan aan hogere eisen wat betreft integriteit – dan aan het persoonlijke belang van eiser om in militaire dienst te mogen blijven. Het ontslag is derhalve niet onevenredig ten opzichte van de aard en de ernst van het gepleegde wangedrag.

7.2

Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.1 hoeven de overige verweten gedragingen geen nadere beschouwing.

8 Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

Voor zover eiser heeft verwezen naar de situatie van [persoon 2] en [persoon 3] heeft verweerder van belang mogen achten dat [persoon 2] en [persoon 3] werkzaam waren bij de Koninklijke Landmacht (KL). Eiser is werkzaam bij de KMar, waar - juist door de bijzondere taken van de KMar - hogere integriteitseisen gelden.

Bij [persoon 4] was, anders dan in het geval van eiser, geen sprake van meerdere incidenten.

Het voorgaande maakt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

9 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, voorzitter, mr. drs. L.B.M. Klein Tank, lid, en mr. P.T. Heblij, commodore (tit.), militair lid, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.