ECLI:NL:RBDHA:2017:5087 Rechtbank Den Haag , 12-05-2017 / C/09/528396 / KG ZA 17-300

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/528396 / KG ZA 17-300

Vonnis in kort geding van 12 mei 2017

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS CONSUMER LIFESTYLE B.V.,

beide gevestigd te Eindhoven,

eiseressen,

advocaat mr. J.C.H. van Manen te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

NINGBO YOUHE ELECTRICAL APPLIANCE TECHNOLOGY CO., LTD,

gevestigd te Fu Hai Town, Cixi Cit (Volksrepubliek China),

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 14 maart 2017;

-

de akte overlegging producties van eiseres, met producties 1 tot en met 14;

-

de akte overlegging producties van eiseres, met producties 15 tot en met 20;

-

de (aanvullende) proceskostenopgaves van eiseres;

-

de mondelinge behandeling gehouden op 26 april 2017, waarbij eiseressen aanvullende stukken hebben overgelegd, te weten een legal opinion naar Chinees recht, en tussen partijen gewisselde e-mails;

-

de pleitnota van eiseressen;

-

de na de zitting ingekomen e-mails van 1, 2 en 8 mei 2017 van eiseressen met daarbij aanvullende stukken met informatie over de bezorging van de dagvaarding en een (aangevulde) legal opinion.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Voor de feiten en het gevorderde wordt verwezen naar het gestelde in de aangehechte kopie van de dagvaarding.

2.2.

Gedaagde is niet in de procedure verschenen. Met betrekking tot de vraag of tegen haar verstek kan worden verleend wordt het volgende overwogen.

2.3.

Van toepassing is het op 15 november 1965 te Den Haag tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (hierna: het Haags Betekeningsverdrag). Zowel (de Volksrepubliek) China als Nederland zijn daarbij partij.

2.4.

Eiseressen hebben het voor gedaagde bestemde dagvaardingsexploot op 14 maart 2017 doen betekenen overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag en de Uitvoeringswet van het verdrag juncto artikel 55 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door het uitbrengen van het exploot aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag, met achterlating van twee afschriften van het exploot en met het verzoek het exploot aan gedaagde te doen betekenen c.q. daarvan aan haar kennis te doen geven overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van het Haags Betekeningsverdrag door betekening of kennisgeving met inachtneming van de vormen die in de wetgeving van de Volksrepubliek China zijn voorgeschreven voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen. Daarnaast is een afschrift van het dagvaardingsexploot – voorzien van een Engelse vertaling – per aangetekende post en per FedEx-koerier toegezonden aan gedaagde op het op de website van gedaagde vermelde adres in de Volksrepubliek China, al waar het blijkens het bewijs van aflevering van FedEx op 17 maart 2017 is afgegeven aan een receptionist/Front Desk in Fu Hai Town. Voorts is een Engelse vertaling van het dagvaardingsexploot per e-mail van 16 maart 2017 verstuurd aan een medewerker/vertegenwoordiger van gedaagde, met wie eiseressen eerder via datzelfde e-mailadres over de zaak hebben gecorrespondeerd.

2.5.

Niet is gebleken dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 (en 2) van het Haags Betekeningsverdrag is betekend of in persoon aan gedaagde is afgegeven. Op grond van artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag kan de voorzieningenrechter echter in een kort geding verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde verlenen zonder dat in spoedeisende gevallen behoeft te blijken dat aan de voorwaarden van artikel 15 lid 1 van het Haags Betekeningsverdrag is voldaan. Wel zal – met inachtneming van de vereiste spoed – zoveel mogelijk overeenkomstig de doelstelling van het Haags Betekeningsverdrag, gewaarborgd moeten zijn dat een uitgebracht exploot degene voor wie het is bestemd daadwerkelijk heeft bereikt en – indien het zoals hier om een dagvaarding gaat – zo tijdig dat deze nog de mogelijkheid heeft verweer te voeren (zie o.a. Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7192).

2.6.

Gelet op het door eiseressen gestelde inbreukmakend handelen, is het spoedeisend karakter van de door eiseressen gevorderde verboden voldoende aannemelijk geworden.

Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde van de terechtzitting op de hoogte was en dat zij de dagvaarding tijdig heeft ontvangen. Op grond van de overgelegde stukken acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat de dagvaarding tijdig is afgeleverd op het door gedaagde op haar website vermelde adres. Daarnaast is vanaf het op de website van gedaagde vermelde e-mailadres over deze zaak gecorrespondeerd en gereageerd op de aangekondigde zittingsdatum. Het is dan ook aannemelijk te achten dat de aan dat e-mailadres verzonden dagvaarding gedaagde tijdig heeft bereikt en dat zij daarvan kennis heeft kunnen nemen. Er bestaat dan ook voldoende grond om met toepassing van artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag over te gaan tot verstekverlening.

2.7.

Ambtshalve stelt de voorzieningenrechter vast dat hij bevoegd is tot (gedeeltelijke) kennisname van het geschil. Voor zover eiseressen hun vorderingen hebben gebaseerd op het Gemeenschapsmodel van eiseres sub 1 volgt deze bevoegdheid uit de artikelen 80, 81 en 82 lid 2 GModVo1. Gedaagde heeft immers woonplaats noch vestiging binnen de Europese Unie en eiseressen zijn gevestigd in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich uit over de gehele Europese Unie.

2.8.

Nu gedaagde woonplaats heeft in de Volksrepubliek China dient de bevoegdheid met betrekking tot vorderingen gebaseerd op auteursrechtinbreuk en overig onrechtmatig handelen te worden gebaseerd op de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor zover deze vorderingen gericht zijn op Nederland is de voorzieningenrechter bevoegd op grond van artikel 6 sub e Rv (forum locus delicti). Eiseressen hebben betoogd dat de bevoegdheid op grond van deze bepaling grensoverschrijdend kan zijn indien het niet mogelijk is om in de woonplaats van gedaagde een dergelijk verbod te verkrijgen. Subsidiair hebben eiseressen betoogd dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 9 aanhef en onder b en c Rv (forum necessitatis). Zij hebben daartoe met verwijzing naar de door hen overgelegde (aangevulde) legal opinion betoogd dat het onmogelijk is om van de Chinese rechter een EU-breed verbod te verkrijgen en dat van hen niet kan worden gevergd om in elke lidstaat van de EU tegen gedaagde een inbreukprocedure aanhangig te maken.

2.9.

Met betrekking tot de grensoverschrijdende bevoegdheid inzake de gestelde auteursrechtinbreuk en het onrechtmatige handelen wordt als volgt overwogen.

2.10.

De bevoegdheid op grond van artikel 6 sub e Rv is ontleend aan de bepalingen uit de (voorganger van de) EEX II-Vo2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) dient artikel 7 EEX II-Vo beperkt te worden uitgelegd en is de daarop gebaseerde bevoegdheid territoriaal beperkt. In Nederland ligt immers niet de locus actus maar slechts de locus damni. Dit volgt onder meer uit het arrest Hi Hotel/Uwe Spoering3. Dit betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat de daarvan afgeleide bepaling in artikel 6 sub e Rv – waarbij volgens de wetsgeschiedenis de rechtspraak van het HvJ EU als richtsnoer dient4 – ook territoriaal beperkt is.5 In dit geval betekent dit dat de voorzieningenrechter op grond van deze bepaling uitsluitend bevoegd is voor zover de gestelde auteursrechtinbreuk en het onrechtmatig handelen in Nederland plaatsvindt of dreigt plaats te vinden.

2.11.

Uit de omstandigheid dat eiseressen hebben betoogd dat van hen niet gevergd kan worden in alle lidstaten van de EU een procedure te voeren, volgt reeds dat dit niet onmogelijk is. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 9 aanhef en onder b Rv (het absolute forum neccesitatis).

2.12.

Op grond van artikel 9, aanhef en onder c Rv is de Nederlandse rechter die niet op grond van artikelen 2 tot en met 8 bevoegdheid toekomt, niettemin bevoegd indien (i) de bij dagvaarding in te leiden zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden, en (ii) het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt (het zogeheten relatieve forum necessitatis). Volgens de wetgever dient deze bepaling restrictief te worden uitgelegd, gezien ook de gebezigde bewoording (‘onaanvaardbaar’ en ‘vergen’), zo blijkt uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 41). Zie voorts conclusie AG Vlas (ECLI:NL:PHR:2014:2344), door de HR afgedaan volgens artikel 81 lid 1 RO6 (ECLI:NL:HR:2015:398).

2.13.

Tegen de achtergrond van deze restrictieve uitleg hebben eiseressen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onaanvaardbaar is van hen te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.14.

Eiseressen hebben met verwijzing naar de door hen overgelegde (aangevulde) legal opinion betoogd dat het onmogelijk is om in China op grond van auteursrecht of slaafse nabootsing een verbod te krijgen met werking in de EU. De voorzieningenrechter merkt op dat er in die opinie niet is gewezen op Chinese jurisprudentie of wetsartikelen die specifiek zien op de territorialiteit van een eventueel op te leggen (voorlopige) maatregel. Uit deze legal opinion volgt evenmin zonder meer dat het tevens onmogelijk is om in China een voorziening te verkrijgen – bijvoorbeeld een productie- of exportverbod – waarmee eiseressen feitelijk kunnen bewerkstelligen dat gedaagde geen inbreukmakende producten in de EU verhandelt en/of daar inbreukmakende verpakkingen openbaar maakt. Indien zou worden aangenomen dat een dergelijke voorziening in China niet voorhanden is, dan valt bovendien niet zonder meer in te zien waarom van eiseressen (die onderdeel zijn van een groot concern) niet kan worden gevergd om in de relevante EU-lidstaten een procedure aanhangig te maken. Daar komt bij dat eiseressen in Nederland op grond van de Gemeenschapsmodelrechten van eiseres sub 1 wel een grensoverschrijdend verbod kunnen verkrijgen, zodat het belang om daarnaast een verbod op basis van auteursrechtinbreuk en/of slaafse nabootsing te krijgen van minder gewicht kan worden geacht.

2.15.

Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het – op de wijze zoals hierna vermeld – zal worden toegewezen.

2.16.

Ter zitting hebben eiseressen verklaard dat slaafse nabootsing een subsidiaire grondslag betreft. Nu op basis van de primaire grondslagen (Gemeenschapsmodelrecht en auteursrecht) een verbod zal worden opgelegd, behoeft de subsidiaire grondslag geen beoordeling meer.

2.17.

In de dagvaarding onder A. vorderen eiseressen onder meer gedaagde te bevelen om iedere inbreuk op de auteursrechten van eiseressen te staken en gestaakt te houden. Dit verbod zal voor Nederland worden toegewezen. Ter zitting hebben eiseressen voorts onweersproken gesteld dat zij auteursrecht hebben op het in de dagvaarding onder 10 vermelde artwork. Niet is gesteld of gebleken waarom eiseressen naast oplegging van het onder A gevorderde verbod nog belang hebben bij oplegging van het onder B gevorderde verbod met betrekking tot openbaarmaking en/of verveelvoudiging van het artwork aangezien dit ook reeds door het verbod onder A wordt bestreken. Het onder B gevorderde verbod zal daarom – bij gebrek aan belang – worden afgewezen.

2.18.

Teneinde onnodige executieproblemen te voorkomen, zal de termijn waarbinnen gedaagde de inbreukmakende handelingen dient te staken worden bepaald op 24 uur na betekening van dit vonnis.

2.19.

De op te leggen dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

2.20.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Eiseressen hebben een volledige proceskostenveroordeling overeenkomstig artikel 1019h Rv gevorderd. In hun specificatie van 25 april 2017 hebben eiseressen hun proceskosten begroot op € 39.233,33 (de voorzieningenrechter begrijpt exclusief BTW). Ter zitting hebben zij deze kosten gematigd tot € 15.000-, zijnde het volgens de geldende indicatietarieven aangewezen maximumtarief voor een normaal kort geding. De voorzieningenrechter overweegt dat de proceskosten in een verstekprocedure gelet op de eisen van een goede procesorde slechts overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv worden begroot, indien zij bij dagvaarding reeds zijn opgegeven en gespecificeerd dan wel, indien zij pas na dagvaarding worden opgegeven en gespecificeerd, aan de niet-verschenen gedaagde(n) kenbaar zijn gemaakt, bijvoorbeeld door aangetekende verzending per post of afzonderlijke betekening7. Eiseressen hebben gesteld dat zij het eerste proceskostenoverzicht (dat sluit op € 10.085,26) met de dagvaarding per post, FedEx-koerier en e-mail aan gedaagde hebben doen toekomen en dat zij gedaagde op 24 april 2017 (met een kostenstaat die sluit op € 33.552,83) en 25 april 2017 (met een kostenstaat die sluit op € 39.233,33) per e-mail hebben geïnformeerd over de aanvullende kosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij de latere toezendingen op 24 en 25 april 2017 niet voldaan aan voormeld vereiste aangezien de enkele toezending per e-mail niet zonder meer betekent dat de ontvanger er ook kennis van heeft genomen. De proceskosten aan de zijde van eiseressen zullen derhalve conform hun verminderde vordering worden begroot op € 10.085,26.

2.21.

De termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na heden.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;

3.2.

beveelt gedaagde binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de gemeenschapsmodelrechten van eiseressen met nummer EUMR 1890880 in de gehele EU, te staken en gestaakt te houden, waaronder de productie, het in voorraad houden, de distributie, de promotie, het te koop aanbieden, de verkoop en/of iedere andere verhandeling van de in de dagvaarding onder 5 bedoelde Inbreukmakende Borstkolven, en waaronder elk gebruik ter promotie van afbeeldingen van de in de dagvaarding onder 12 bedoelde modellen;

3.3.

beveelt gedaagde binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de auteursrechten van eiseressen zoals omschreven in de dagvaarding in Nederland te staken en gestaakt te houden, waaronder de productie, de distributie, de promotie, het te koop aanbieden, de verkoop en het voor deze doeleinden in voorraad houden, van de in de dagvaarding onder 5 bedoelde Inbreukmakende Borstkolven, en waaronder ook iedere verveelvoudiging en/of openbaarmaking het in de dagvaarding onder 10 omschreven artwork;

3.4.

bepaalt dat gedaagde bij overtreding van het onder 3.2 en/of 3.3 vermelde bevel een dwangsom verbeurt van € 10.000,- voor iedere dag (een gedeelte van een dag als een gehele gerekend) dat zij in strijd handelt met (een van) die bevelen, dan wel, ter keuze van eiseressen, van € 200,- per in strijd met het in 3.2 vermelde bevel verkochte Inbreukmakende Borstkolf, een en ander tezamen met een maximum van € 250.000,-;

3.5.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot dusver aan de zijde van eiseressen begroot op € 10.085,26;

3.6.

bepaalt de termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv op zes maanden na heden;

3.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2017.

Voetnoten

1
Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen.
2
Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
3
HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:215.
4
MvT, Parl Gesch. Herz. Rv. p.105 (Parlementaire Geschiedenis, Herziening van het Burgerlijk procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Deventer 2002.)
5
Vgl. Rb. 's-Gravenhage, 27 februari 2008, IER 2009, 16, ECLI:NL:RBSGR:2008:BI3912 (Computerslot) m.nt. Numann
6
Wet op de rechterlijke organisatie
7
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 22 februari 2011, zaaknr. 200.073.680/01, Burger tegen Stichting Ideëel Verzekeren, IEF 9434, IEPT 20110222