ECLI:NL:RBDHA:2017:6148 Rechtbank Den Haag , 30-05-2017 / AWB - 17 _ 2488

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/2488

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 mei 2017 in de zaak tussen


[naam] eiseres,

gemachtigde mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.S. Poelman.

Procesverloop

Op 4 november 2014 is ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’.

Deze aanvraag is bij besluit van 25 juni 2015 afgewezen omdat eiseres zich niet tijdig gemeld heeft bij de Nederlandse ambassade in Addis Abeba (Ethiopië).

Op 24 augustus 2015 is ten behoeve van eiseres opnieuw een aanvraag ingediend tot afgifte van een mvv met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’.

Bij besluit van 23 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2017. Eiseres en verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun respectievelijke gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is van Eritrese nationaliteit. Zij is geboren op 1 [geboortedatum] . Eiseres beoogt verblijf bij [referent] (hierna: referent) in Nederland, op grond van het zogenoemde nareisbeleid. Aan referent is bij besluit van 19 september 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres geen documenten heeft overgelegd waaruit haar familierechtelijke relatie met referent blijkt. Aan de door eiseres overgelegde kerkelijke huwelijksakte kan geen waarde worden gehecht, nu deze akte niet een officieel document betreft dat is afgegeven door de autoriteiten in Eritrea. Er zijn geen documenten waaruit blijkt dat het huwelijk is ingeschreven in de kebabi. Eiseres heeft niet aangetoond dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Daarom kan de familierechtelijke relatie niet worden vastgesteld. Ook heeft eiseres geen identificerend document, zoals een paspoort, identiteitskaart of een rijbewijs, overgelegd. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder niet een dergelijk document heeft kunnen verkrijgen. Het ontbreken van identificerend document valt haar daarom toe te rekenen. Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd waarom zij in bewijsnood verkeert.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat met de door referent overgelegde kerkelijke huwelijksakte de gezinsband tussen haar en referent aangetoond kan worden. Er is sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, zowel in Eritrea als in Nederland. Eiseres voert verder aan dat het in Eritrea niet noodzakelijk is om over een identiteitsbewijs te beschikken. Deelname aan het openbare leven zonder zo’n document is mogelijk, zeker als men op het platteland woont en geen diensten van de overheid ontvangt, aldus eiseres. Zonder identiteitskaart kan men geen paspoort aanvragen. Daarom beschikt eiseres ook niet over een paspoort. Eiseres meent dat zij in bewijsnood verkeert en het ligt op de weg van verweerder om dan een identificerend gehoor af te nemen. Ten slotte heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn).

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Tussen partijen is in geschil de vraag of eiseres haar gestelde identiteit en gezinsband aannemelijk heeft gemaakt.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit (en nationaliteit) niet aannemelijk heeft gemaakt met een identificerend document. Verweerder heeft daarbij mogen verwijzen naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2015, waaruit blijkt dat men een identiteitskaart nodig heeft voor overheidsdiensten en -voorzieningen en voor het maken van binnenlands reizen. Het niet hebben van een identiteitskaart kan belemmerend werken (p. 30). Verweerder heeft aan de hand van de verklaring van referent in de asielprocedure vastgesteld dat eiseres tenminste één keer moet hebben gereisd toen zij met referent voor een bloedtest naar de stad Aguro moest reizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hiermee tegenstrijdige verklaring van eiseres niet hoeven volgen. Terecht heeft verweerder tegengeworpen, gelet op de informatie uit het voormelde ambtsbericht, dat eiseres vanaf 1 juli 2012, toen zij achttien jaar werd, een identiteitskaart had kunnen aanvragen. Deze mogelijkheid heeft eiseres in ieder geval tot februari 2014 gehad. De verklaring van eiseres dat zij geen identificerend document nodig had op het platteland, heeft verweerder terecht niet gevolgd.

6. Volgens verweerder moeten huwelijken in Eritrea in de kebabi worden geregistreerd om erkend te worden als rechtsgeldig huwelijk. Zonder een dergelijke registratie is er geen sprake van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als bedoeld in artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek, aldus verweerder. Van een door een bevoegde autoriteit afgegeven huwelijksverklaring, zoals het vierde lid van dit artikel is dan ook geen sprake. De kerk kan niet als zodanig worden aangemerkt, aldus verweerder. Daarbij is door verweerder tevens verwezen pagina 56 van het EASO-rapport van mei 2015. Daar is over de erkenning van religieuze huwelijken in Eritrea vermeld:“(…) Religious documents are not recognized by the authorities as valid identity documents but must in some cases be provided in order to register a marriage in the civil registers. Religious marriages are recognized in Eritrea; an additional official (state) marriage certificate is not required but the marriage must be entered into the kebabi administration’s register (...)”.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de voornoemde motivering terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk, maar van een traditioneel huwelijk. Er is immers geen sprake is van een door de Eritrese autoriteiten opgestelde huwelijksakte of een inschrijving in de kebabi, maar uitsluitend van een door een kerkgenootschap opgestelde huwelijksakte. Een dergelijke akte is slechts bewijs van een kerkelijke inzegening. In het algemeen ambtsbericht Eritrea van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017, waar verweerder in het verweerschrift en ter zitting naar heeft verwezen, staat dat religieuze aktes door de autoriteiten niet worden erkend als officiële huwelijksaktes, maar wel worden gebruikt als brondocumenten om een huwelijk te laten registreren bij de burgerlijke stand (kebabi). De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het huwelijk in het kebabi-register moet worden ingeschreven om als rechtsgeldig te kunnen worden aangemerkt.

8. Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn stelt de rechtbank vast dat dit artikel ziet op de situatie dat het voor de vreemdeling onmogelijk is officiële documenten te overleggen. Nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen officiële documenten kan overleggen en daardoor in bewijsnood verkeert, hoefde verweerder geen identificerend interview te houden.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een mvv in het kader van nareis terecht afgewezen. Gezien dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige gronden van beroep.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: