ECLI:NL:RBGEL:2017:2759 Rechtbank Gelderland , 17-05-2017 / 05/740039-17

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740039-17

Datum uitspraak : 17 mei 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen


[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats 1] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Raadsvrouw: mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 mei 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij, op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en/of een gekneusde (linker)kaak en/of een gebroken oogkas en/of een snijwond en/of (een) bloeduitstorting(en) in/op het gezicht en/of (een) bloeduitstorting(en) op het lichaam en/of hoofd en/of een brandwond (blaar) op de (rechter)arm en/of in de hals, heeft toegebracht door (terwijl voornoemde [slachtoffer] in/op bed lag)

meermalen althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en of te stompen

en/of meermalen althans eenmaal te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) met een riem en/of met de gesp van voornoemde riem meermalen althans eenmaal tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan

en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de (linker)wang van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden

en/of (vervolgens) deodorant, althans een brandbare vloeistof, op de (rechter)arm van die [slachtoffer] te spuiten en/of voornoemde vloeistof in aanraking te brengen met open vuur

en/of een brandende sigaret tegen de nek/hals van die [slachtoffer] te drukken;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij, op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl voornoemde [slachtoffer] in/op bed lag)

meermalen althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt

en/of meermalen althans eenmaal heeft geschopt en/of getrapt tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) met een riem en/of met de gesp van voornoemde riem meermalen althans eenmaal tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen

en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de (linker)wang van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden

en/of (vervolgens) deodorant, althans een brandbare vloeistof, op de (rechter)arm van die [slachtoffer] heeft gespoten en/of voornoemde vloeistof in aanraking heeft gebracht met open vuur

en/of een brandende sigaret tegen de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gedrukt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij, op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem, [slachtoffer] heeft mishandeld door (terwijl voornoemde [slachtoffer] in/op bed lag)

meermalen althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen

en/of meermalen althans eenmaal te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) met een riem en/of met de gesp van voornoemde riem meermalen althans eenmaal tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan

en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de (linker)wang van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden

en/of (vervolgens) deodorant, althans een brandbare vloeistof, op de (rechter)arm van die [slachtoffer] te spuiten en/of voornoemde vloeistof in aanraking te brengen met open vuur

en/of een brandende sigaret tegen de nek/hals van die [slachtoffer] te drukken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) en verdachte hadden ten tijde van het tenlastegelegde een affectieve relatie.2In de middag van 17 januari 2017 hadden verdachte en aangeefster ruzie. Een gedeelte van die ruzie heeft verdachte opgenomen met de filmcamera van zijn telefoon. Op de filmpjes is te zien dat [slachtoffer] verwondingen heeft aan haar hals.3 Aangeefster heeft zich die verwondingen zelf toegebracht.4 In de avond van 17 januari 2017 was verdachte bij aangeefster.5

Op 23 januari 2017 is door [naam 2] , arts, geconstateerd dat aangeefster verschillende verwondingen had waaronder bloeduitstortingen op haar gezicht, een vers litteken op haar linkerwang en een breuk van haar rechter oogkas.6 Op 23 januari 2017 is door [naam 1] , forensisch arts, geconstateerd dat aangeefster onder andere verkleuringen had rondom beide ogen, in het rechteroog, bij de linker neuszijde en de buitenzijde van de oogkas van het linkeroog, een zwelling in de rechter onderkaak en verkleuringen onder de kin, op beide armen en benen, de rug en de borst, allen veroorzaakt door stomp geweld. Verder had aangeefster een verticaal lopende wond van 1,5 tot 2 centimeter op de linkerwang, welk letsel past bij een snijwond. Ook had aangeefster links in de hals een onregelmatig gevormd letsel met een geel korstje dat past bij een schaaf- of brandwond.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld, dat vrijspraak dient te volgen voor de primair tenlastegelegde zware mishandeling. Volgens de officier van justitie kan gelet op het dossier wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit, te weten poging zware mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, met dien verstande dat volgens de officier van justitie alleen bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam van aangeefster. De officier van justitie is er niet van overtuigd dat de overige handelingen door verdachte zijn begaan en de verdachte dient daarvan daarom te worden vrijgesproken.

De verwondingen bij aangeefster en dan met name de breuk van de oogkas en de overige verwondingen op kwetsbare plaatsen in het gezicht, duiden volgens de officier van justitie op een zodanige kracht bij het gebruik van geweld, dat verdachte had moeten weten dat zijn handelingen tot zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster had kunnen leiden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als de subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten. Volgens de verdediging is de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar. Aangeefster heeft zich in het verleden meermalen verwond en dat zij dit doet is ook te zien op de beelden die de verdachte op 17 januari 2017 heeft gemaakt met zijn telefoon. Bovendien kenmerkt de borderlineproblematiek, waarvan aangeefster zelf zegt dat zij daaraan lijdt, zich onder andere door zelfbeschadiging. Op de filmpjes is volgens de verdediging te zien dat aangeefster overstuur is en verdachte juist heel rustig, wat de overtuiging van de verdediging dat aangeefster de verwondingen zichzelf heeft toegebracht, versterkt. Uit de gegevens uit de mobiele telefoon van verdachte, waaronder de Whatsapp-berichten en de metagegevens, kan voorts worden afgeleid dat verdachte na het maken van de filmbeelden is weggegaan.

Subsidiair bepleit de verdediging vrijspraak voor het primaire en subsidiaire tenlastegelegde feit. De verwondingen van aangeefster duiden niet op zwaar lichamelijk letsel. Voorts is er onvoldoende bekend over de kracht waarmee zou zijn geslagen, waardoor niet kan worden gesproken van een poging zware mishandeling.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat aangeefster op 23 januari 2017 de verwondingen had zoals beschreven onder de feiten. De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of het verdachte is die deze verwondingen heeft toegebracht. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Aangeefster verklaart dat zij op 17 januari 2017 omstreeks 20:00 uur lag te slapen in haar bed en wakker werd gemaakt door een harde vuistslag in haar gezicht. Aangeefster zag verdachte voor haar bed staan. Verdachte heeft aangeefster vervolgens veel vaker geslagen en gestompt. Aangeefster zag dat verdachte zijn riem uit zijn broek haalde en zag en voelde vervolgens dat hij met deze riem, met de kant van de gesp, sloeg in haar nek en op haar been. Verdachte heeft aangeefster over haar hele lichaam geraakt met het slaan, schoppen en stompen.8

Volgens forensisch arts [naam 1] kunnen de letsels veroorzaakt door stomp geweld zijn toegebracht door een slag of stomp of door een klap met een hard voorwerp. De snijwond op de linkerwang kan zijn veroorzaakt met een scherp voorwerp, zoals een mes, pen, schaar of nagel.9

Gelet op de verklaring van aangeefster, de geneeskundige verklaring, de letselinterpretatie en de verklaring van verdachte dat hij op 17 januari 2017 ’s avonds bij aangeefster was, acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster meermalen met gebalde vuist tegen haar hoofd en lichaam heeft geslagen en gestompt, dat hij haar meermalen tegen haar lichaam heeft geschopt en getrapt en dat hij haar met de gesp van zijn riem meermalen tegen haar lichaam heeft geslagen. De overtuiging van de rechtbank wordt versterkt door de angst van aangeefster voor verdachte zoals zij dat toonde op 23 januari 2017 en zoals beschreven door de getuigen [getuige 1]10 en [getuige 2]11. De rechtbank volgt aangeefster is haar verklaring dat zij pas drie dagen na het toegebrachte geweld vluchtte voor verdachte, omdat zij bang was voor het mogelijke komende geweld als verdachte cocaïne zou gebruiken.12

De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat verdachte aangeefster tegen haar hoofd heeft geschopt. Aangeefster heeft dit niet verklaard. De rechtbank is er voorts niet van overtuigd dat verdachte aangeefster met een mes in haar wang heeft gestoken, een brandbare vloeistof op de arm van aangeefster heeft gespoten en die vloeistof vervolgens in aanraking heeft gebracht met vuur en een brandende sigaret in de nek of hals van aangeefster heeft gedrukt. Zij spreekt de verdachte voor deze handelingen daarom vrij. Het is volgens de deskundige weliswaar niet aannemelijk dat aangeefster deze verwondingen zichzelf heeft toegebracht, maar de rechtbank acht die mogelijkheid nog wel aanwezig. Snij- en brandwonden ontstaan door dergelijke handelingen kunnen passen bij automutilatie. Aangeefster heeft verklaard zichzelf soms te verwonden.

Alternatieve verklaring

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat aangeefster zich de verwondingen ontstaan door stomp geweld zelf heeft toegebracht of dat deze zijn toebracht door een derde persoon niet aannemelijk geworden. Forensisch arts [naam 1] geeft in de aanvulling op zijn letselinterpretatie aan dat hij het van geen van de letsels waarschijnlijk acht dat die door aangeefster zelf zijn toegebracht, met uitzondering van het letsel op de linkerwang. Technisch gezien kan veel letsel volgens [naam 1] zelf worden toebracht. In de praktijk betreft dit veelal letsel waarbij met een scherp voorwerp wordt gesneden of gekrast. Zelf toebracht stomp letsel komt minder vaak voor en is dus minder waarschijnlijk, aldus [naam 1] .13 Met betrekking tot de letsels op de rug, de rechterbovenarm en de linkerbovenarm (letsels 8 en 10 t/m 14) heeft de forensisch arts verklaard dat het hem niet mogelijk lijkt dat aangeefster dit letsel zichzelf heeft toegebracht.14

De rechtbank acht de verklaring van verdachte voorts niet aannemelijk, omdat hij bij het zien van de verwondingen van aangeefster geen medische hulp heeft ingeschakeld of de begeleidster van aangeefster heeft benaderd. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar standpunt dat de filmpjes van de telefoon van verdachte en zoals ter zitting getoond, aantonen dat aangeefster onbetrouwbaar, agressief en labiel is. De rechtbank ziet op de filmpjes een vrouw die meermalen tegen verdachte zegt dat hij weg moet gaan en moet stoppen met filmen. De rechtbank verklaart het gedrag van aangeefster uit haar onmacht jegens verdachte. Dat op de filmpjes geen letsel te zien is bij aangeefster, behalve het door haar zelf toegebrachte letsel in de hals, wordt verklaard uit het feit dat de filmpjes aan het begin van de middag zijn opgenomen, terwijl verdachte pas ’s avonds geweld heeft gebruikt tegen aangeefster. Tot slot is van de aanwezigheid van een derde persoon die geweld heeft gebruikt tegen aangeefster niet gebleken, noch aannemelijk geworden.

Kwalificatie

Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte geweld heeft gebruikt jegens aangeefster, is vervolgens de vraag aan de orde hoe dat geweld dient te worden gekwalificeerd.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde zware mishandeling.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich jegens aangeefster heeft schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Verdachte heeft aangeefster meermalen tegen het hoofd gestompt. Uit het letsel van aangeefster, en dan met name de breuk van de oogkas, kan worden afgeleid dat verdachte een zodanige kracht gebruikte bij het toepassen van geweld, dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met veel kracht meermalen slaan tegen het hoofd van een persoon tot breuken en hersenletsel kan leiden.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij, op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl voornoemde [slachtoffer] in/op bed lag)

meermalen althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt

en/of meermalen althans eenmaal heeft geschopt en/of getrapt tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) met een riem en/of met de gesp van voornoemde een riem meermalen althans eenmaal tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen

en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de (linker)wang van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden

en/of (vervolgens) deodorant, althans een brandbare vloeistof, op de (rechter)arm van die [slachtoffer] heeft gespoten en/of voornoemde vloeistof in aanraking heeft gebracht met open vuur

en/of een brandende sigaret tegen de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gedrukt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis er rekening mee gehouden dat het feit plaatsvond in de eigen woning van aangeefster en binnen de relatie die zij had met verdachte. Omstandigheden waarin aangeefster zich veilig zou moeten kunnen voelen en beschermd zou moeten worden. Verdachte heeft bovendien een zeer uitgebreide documentatie op het gebied van geweld, waaronder huiselijk geweld.

Het standpunt van de verdediging

Indien verdachte zou worden veroordeeld, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om een eventuele gevangenisstraf te beperkten tot de duur die verdachte al heeft vastgezeten en de voorlopige hechtenis per die datum op te heffen. De verdediging heeft voorts verzocht om bij een eventuele voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden op te leggen met betrekking tot hulpverlening in een verplicht kader.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 maart 2017;

- een voorlichtingsrapportage van het Leger des Heils, gedateerd 20 april 2017 en

- een psychologische rapportage van [naam 3] , gedateerd 1 april 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van zogezegd ‘huiselijk geweld’. Hij heeft zijn vriendin ernstig mishandeld. Hij heeft haar meerdere malen en gedurende langere tijd geschopt en geslagen met zijn vuisten en met de gesp van een riem, onder andere met een gebroken oogkas tot gevolg. Door het toegepaste geweld op vooral het hoofd is het een geluk dat aangeefster geen ernstiger letsel heeft opgelopen. Iedereen moet zich thuis en binnen zijn relatie veilig en vertrouwd kunnen voelen. Door het handelen van verdachte is dat bij aangeefster niet het geval geweest.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de reden die tot de keuze van een vrijheidsstraf van enige, hierna te melden, duur leidt – dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor gewelddelicten, waaronder huiselijk geweld.

Verdachte heeft niet mee willen werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Hij heeft voorts aangegeven geen behoefte te hebben aan hulpverlening in een verplicht kader. De rechtbank ziet mede daarom geen reden de vrijheidsstraf deels voorwaardelijk op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. H.P.M. Kester en mr. J. Barrau, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 mei 2017.

Voetnoten

1
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie-eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017118656 Z, gesloten op 15 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2
Verklaring van verdachte, p. 146.
3
Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting.
4
Verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris.
5
Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.
6
Geneeskundige verklaring betreffende aangeefster, p. 36.
7
Letselinterpretatie betreffende aangeefster, p. 133-136.
8
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 20; verklaring aangeefster bij de rechter-commissaris, p. 2.
9
Letselinterpretatie betreffende aangeefster, p. 136.
10
Verklaring van getuige [getuige 1] , p. 140.
11
Verklaring van getuige [getuige 2] , p. 138.
12
Verklaring van aangeefster, p. 32.
13
Aanvulling d.d. 28 april 2017 bij het medisch forensisch rapport PL06 – 2017032138, p. 1-2.
14
Aanvulling d.d. 28 april 2017 bij het medisch forensisch rapport PL06 – 2017032138, p. 3.