ECLI:NL:RBROT:2017:3517 Rechtbank Rotterdam , 11-05-2017 / ROT 16/1629

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/1629

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2017 in de zaak tussen


[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: H.E. Wonnink,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: D. Meijers,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:


[werkneemster]
, ex-werkneemster van eiseres (hierna: ex-werkneemster),

gemachtigde: mr. R. Küçükünal.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de ex-werkneemster vanaf 1 mei 2013 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 26 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de ex-werkneemster gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en in plaats daarvan bepaald dat de ex-werkneemster vanaf 1 mei 2013 recht heeft op een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)-vervolguitkering op grond van de Wet WIA naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij faxbrieven van 5 april 2016, 18 juli 2016 en 23 januari 2017 heeft eiseres haar gronden aangevuld

Bij beslissing van de enkelvoudige kamer ex artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 juli 2016 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat H.E. Wonnink, in zijn hoedanigheid van arts-gemachtigde van eiseres, alsnog inzage dient te krijgen in de in deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van de ex-werkneemster zonder recht van substitutie en tot geheimhouding van deze stukken tegenover eiseres verplicht is.

Bij brief van 20 juli 2016 heeft de ex-werkneemster verzocht om bekrachtiging van het bestreden besluit.

Verweerder heeft bij brief van 20 september 2016 nadere stukken overgelegd en bij brief van 31 januari 2017 gereageerd op de brief van eiseres van 23 januari 2017.

Bij beslissing van de enkelvoudige kamer ex artikel 8:32 van de Awb van 26 januari 2017 heeft de rechtbank in aansluiting op de beslissing van 4 juli 2016 bepaald dat ook H. Korstanje en mr. drs. E.C. Spiering, in hun hoedanigheid van respectievelijk arbeidsdeskundige en professioneel rechtshulpverlener alsnog inzage dienen te krijgen in de deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van de ex-werkneemster, welke inzage hen dient te worden verstrekt door toedoen van H.E. Wonnink en tot geheimhouding van deze stukken tegenover eiseres verplicht zijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2017. Partijen zijn verschenen bij gemachtigden, met dien verstande dat H. Korstanje, in plaats van H.E. Wonnink is verschenen namens eiseres, en C.J. Hoogendoorn heeft meegebracht.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep voorop dat zij de medische omstandigheden van de zaak niet expliciet kan bespreken, nu de ex-werkneemster van eiseres geen toestemming heeft gegeven de medische gegevens door te zenden aan eiseres.

2. Bij de beoordeling van de zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en/of omstandigheden.

De ex-werkneemster is op 21 september 2005 uitgevallen voor haar werk als huishoudelijke hulp voor 16 uur per week. Na afloop van de wachttijd heeft verweerder aan haar vanaf 8 oktober 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, omdat de ex-werkneemster 80-100% arbeidsongeschikt is en een meer dan geringe kans op herstel heeft. Verweerder heeft dit vastgesteld aan de hand van een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 31 oktober 2007, waarbij van de toenmalige belastbaarheid van de ex-werkneemster een functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld, alsmede informatie van de arbeidsdeskundige.

Bij besluit van 13 april 2011 heeft verweerder de ex-werkneemster meegedeeld dat zij vanaf 8 oktober 2011 in aanmerking komt voor WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat zij 80-100% arbeidsongeschikt is. Deze omzetting heeft plaatsgevonden zonder dat hieraan een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek vooraf is gegaan.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder in het kader van de Wet WIA een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig heronderzoek verricht naar de situatie van de ex-werkneemster per 8 oktober 2011. Op grond van de rapportage van de arts van 6 november 2012, waarbij de belastbaarheid van de ex-werkneemster op 29 november 2012 in een nieuwe FML is vastgelegd, die geldig is vanaf 8 oktober 2011 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 10 december 2012 heeft verweerder bij besluit van 17 december 2012 aan de ex-werkneemster meegedeeld dat haar WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van 18 februari 2013 zal worden beëindigd. De uitkering wordt beëindigd, omdat de ex-werkneemster meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

De ex-werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 december 2012.

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 april 2011 gegrond verklaard. In dit besluit heeft verweerder verwezen naar de heronderzoeken die hebben geleid tot het besluit van 17 december 2012.

Het door de ex-werkneemster gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 december 2012, het door haar ingestelde beroep tegen het daaropvolgende besluit van 5 september 2013 en het vervolgens door haar ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2014 (in de zaak met nummer ROT 13/6573), waarbij haar beroep ongegrond was verklaard, hebben niet geleid tot vernietiging van het besluit van 17 december 2012.

De ex-werkneemster heeft op 20 mei 2015 door middel van het formulier ‘Wijzigingen doorgeven Als u een WIA-uitkering heeft’ aangegeven dat met ingang van 1 mei 2013 haar gezondheid is verslechterd.

Naar aanleiding van deze melding is de ex-werkneemster op 20 juli 2015 uitgenodigd en verschenen op het spreekuur van een arts van verweerder voor een arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling. In zijn verzekeringsgeneeskundige rapportage van 27 juli 2015 heeft de arts geconcludeerd dat de belastbaarheid van de ex-werkneemster hetzelfde is als de belastbaarheid die is vastgelegd in de FML van 31 oktober 2012 (de rechtbank leest daarvoor in de plaats 29 november 2012). Desalniettemin is de belastbaarheid op 26 augustus 2015 opnieuw vastgelegd in een FML. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 6 november 2015 met de ex-werkneemster gesproken en een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld. Hierin komt hij tot de conclusie dat het arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 mei 2013 nog steeds minder dan 35% is.

Op grond van deze twee rapportages heeft verweerder het primaire besluit genomen.

De ex-werkneemster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Eiseres is door verweerder niet bij dit bezwaar en de daarop volgende procedure betrokken.

3. In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 2 november 2015 geconcludeerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat de per de datum in geding aangegeven mogelijkheden en beperkingen van de ex-werkneemster correct zijn vastgelegd in de FML van 26 augustus 2015. (Rechtbank: in deze FML werd vermeld dat deze geldig was vanaf 7 juli 2015, reden waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding heeft gezien om op 16 december 2015 een nieuwe FML vast te leggen. Daarin wordt vermeld dat de FML geldig is vanaf 1 mei 2013. Voor het overige is de FML van 16 december 2015 gelijkluidend aan de FML van 26 augustus 2015.) De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 17 december 2015 de vraag of er aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige positief beantwoord. In afwijking van het primaire besluit heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster vanaf 1 mei 2013 vastgesteld op 35-45%.

Vervolgens heeft verweerder op grond van voornoemde twee rapportages het bestreden besluit genomen.

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij ten onrechte niet is betrokken in de bezwaarprocedure. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij het oneens is met de in bezwaar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De wijziging vindt zijn oorzaak in een onjuist ingevulde datum van het arbeidsdeskundig beoordelingsmoment. Volgens eiseres is een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid van 25% naar 40% als gevolg hiervan bij gelijkblijvende beperkingen en geduide functies onverklaarbaar en onacceptabel.

Bij brief van 23 januari 2017 heeft eiseres haar beroepsgronden aangevuld door aan te geven dat aan hetgeen zij eerder heeft aangevoerd de vraag vooraf gaat of er ruimte is voor het herleven van de WGA-uitkering en dat gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4998) in het geheel geen arbeidsdeskundig onderzoek had mogen plaatsvinden. De rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 december 2015 dient – wat daar verder ook van de uitkomst zij – buiten beschouwing te worden gelaten, aldus eiseres.

5. Naar aanleiding van voornoemde brief van eiseres heeft verweerder bij brief van

31 januari 2017 bericht dat er inderdaad geen arbeidsdeskundig onderzoek had mogen plaatsvinden nu de medische situatie van de ex-werkneemster ten opzichte van de situatie in 2012 ongewijzigd is gebleven. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van de ex-werkneemster had derhalve ongewijzigd op minder dan 35% moeten worden vastgesteld.

Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat dit voor eiseres betekent dat geen sprake kan zijn van een verhoging van de gedifferentieerde WGA-premie en dat hij op deze wijze meent tegemoet te komen aan haar beroep. Voor de ex-werkneemster zal dit tot gevolg hebben dat verweerder de uitkering per toekomende datum zal worden beëindigd.

6. De rechtbank is met partijen van oordeel dat in het voorliggende geval verweerder eiseres ten onrechte niet in de bezwaarprocedure heeft betrokken en dat verweerder in het geheel geen arbeidsdeskundige beoordeling had mogen laten verrichten, omdat zich geen wijziging in de medische situatie van de ex-werkneemster heeft voorgedaan. Uit de hiervoor onder 4. genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat pas na toename van de medische beperkingen (met dezelfde oorzaak) alsnog sprake kan zijn van toekenning van een uitkering na een eerdere beëindiging. Verweerder had het primaire besluit derhalve moeten handhaven. Eiseres heeft ook toegelicht dat zij door deze fout financiële schade heeft geleden aangezien de gedifferentieerde premie hierdoor in ongunstige zin is aangepast.

Gelet hierop is er aanleiding om het beroep van eiseres vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien en geeft verweerder opdracht om met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar af te geven rekening houdend met de belangen van de ex-werkneemster en eiseres.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal verweerder worden opgedragen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift – nu dit in eerste instantie is ingediend door H.E. Wonnink, voor welke situatie in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bpb een specifieke regeling is opgenomen, die er zakelijk weergegeven op neerkomt dat aan een arts-gemachtigde de helft van het aantal uit de bijlage behorend bij het Bpb voortvloeiende punten wordt toegekend, maar dit in tweede instantie is aangevuld door mr. drs. E.C. Spiering, waardoor een heel punt dient te worden gehanteerd – met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1. Voor de aanwezigheid van de arbeidsdeskundige ter zitting kent de rechtbank niets toe, nu het Bpb hierin in het onderhavige geval niet voorziet.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

-

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr T. Boesman, voorzitter, en mr. D. van der Sluis en

mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.