ECLI:NL:RBROT:2017:4327 Rechtbank Rotterdam , 12-05-2017 / TUL 10/741017-16

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/740079-17

Parketnummer vordering TUL: 10/741017-16

Datum uitspraak: 12 mei 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. R. Zantman, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

-

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 4 oktober 2016 (in de zaak met parketnummer 10/741017-16);

-

tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/741017-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hij heeft slechts een tikje gegeven met de hamer en het glas alleen voor het gezicht van de aangever gehouden.

4.1.2.

Beoordeling

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij alleen glas bij het gezicht van de aangever heeft gehouden. Bij de politie heeft hij echter verklaard dat hij aangever geslagen heeft met een stuk glas. Dit komt overeen met de verklaring van de aangever. Daarom houdt de rechtbank de verdachte op dit punt aan zijn verklaring bij de politie.

De aangever heeft verklaard dat hij op zijn voorhoofd is geslagen met een hamer. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de verdachte dat hij een tikje heeft gegeven met de hamer.

Bij dergelijk geweld in het gezicht - slaan met een hamer en met een glas - ontstaat de aanmerkelijke kans op littekens. Dat er enige kracht achter het slaan met de hamer zat, blijkt uit de verklaring van de verdachte dat de aangever meteen na het slaan begon te bloeden. Uit het dossier blijkt ook dat de aangever een flinke bult op zijn voorhoofd had, waarvan de huid gesprongen was.

Littekens in het gezicht zijn blijvend ontsierend en leveren zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het primair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen en het verweer van de verdediging wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 08 februari 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hamer tegen het voorhoofd heeft geslagen en met glas in het gezicht heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer met een hamer en een stuk glas in het gezicht geslagen. Deze situatie, die zich afspeelde in het huis van de verdachte, is zeer beangstigend geweest voor het slachtoffer. Bovendien is het letsel dat ontstaat bij dergelijk geweld vaak aanzienlijk. Dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. De verdachte mag van geluk spreken dat er geen erger letsel is ontstaan.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 april 2017 op naam van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook dat weegt ten nadele mee bij het bepalen van de straf.

In positieve zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven en zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 april 2017. Dit rapport houdt het volgende in. De verdachte heeft een belast en traumatisch verleden. Er lijkt sprake te zijn van beperkte cognitieve vermogens en agressieproblematiek. Al jaren wordt geprobeerd om met toezicht en behandelingen een gedragsverandering te bewerkstelligen bij de verdachte. Tot op heden heeft dit geen effect gehad. Daarom heeft de reclassering geen bijzondere voorwaarden geadviseerd. Voor het geval de rechtbank anders beslist, heeft de reclassering verwezen naar het rapport van 4 oktober 2016 in de zaak met parketnummer 741017-16. In dat rapport werden een meldplicht en een ambulante behandeling geadviseerd.

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte zijn woning dreigt kwijt te raken als hij deze maand de huur niet betaalt. Ook dat houdt de rechtbank voor ogen bij het bepalen van de straf.

7.1.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn belang van huisvesting, is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van de verdachte of de maatschappij is wanneer de verdachte nog langer vast moet zitten. Daarom zal aan de verdachte een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal gelijk zijn aan de duur van de voorlopige hechtenis.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk zijn. Daarom zullen als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 6 oktober 2016 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van een (1) maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 21 oktober 2016.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gevorderd.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de proeftijd te verlengen met een jaar, omdat de verdachte zijn huis zou kwijtraken als hij de voorwaardelijke gevangenisstraf moet uitzitten.

8.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal echter in plaats daarvan een taakstraf voor de duur van 120 uren worden gelast.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van [naam instelling] of soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang als de reclassering in overleg met de behandelaar verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

legt - in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 oktober 2016 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf - aan de veroordeelde een taakstraf op voor de duur van 120 uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Buizer, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 08 februari 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een hamer, althans een hard voorwerp, op/tegen het (voor)hoofd heeft

geslagen en/of met (een) glas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp,

in/op/tegen het gezicht heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 februari 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een hamer,

althans een hard voorwerp, op/tegen het (voor)hoofd te slaan en/of met (een)

glas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht te

slaan;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)