ECLI:NL:RBROT:2017:5201 Rechtbank Rotterdam , 03-07-2017 / 10/812000-16

Uitspraak

Rechtbank rotterdam

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 10/812000-16

Datum uitspraak: 3 juli 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Rotterdam heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

BRP-adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.E.I. Steen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging.

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2015, omstreeks 03.25 uur, te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl hij,(op cruisecontrol) rijdend op de linker rijstrook, een voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een uitgaansgelegenheid ( [naam horecagelegenheid] ) naderde en zag dat voetgangers aldaar stilstonden en dat enkelen overstaken

zijn snelheid bij het naderen van die voetgangersoversteekplaats niet zodanig heeft aangepast dat hij tijdig kon reageren op die (al dan niet), ongeacht het voor hen geldende verkeerslicht, overstekende voetgangers en/of

op die cruisecontrole is blijven rijden met dezelfde constante snelheid en/of

(aldus doende) zich er onvoldoende van heeft vergewist dat die voetgangers vóór die oversteekplaats bleven stilstaan en/of

die voetgangersoversteekplaats is opgereden op het moment dat een voetganger een aanvang had gemaakt en/of doende was de rijbaan van links naar rechts (gezien vanuit verdachtes rijrichting) over te steken en/of

die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 februari 2015, omstreeks 03.25 uur, te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl hij,(op cruisecontrol) rijdend op de linker rijstrook, een voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een uitgaansgelegenheid ( [naam horecagelegenheid] ) naderde en zag dat voetgangers aldaar stilstonden en dat enkelen overstaken

zijn snelheid bij het naderen van die voetgangersoversteekplaats niet zodanig heeft aangepast dat hij tijdig kon reageren op die (al dan niet) overstekende voetgangers en/of

(aldus doende) zich er onvoldoende van heeft vergewist dat die voetgangers vóór die oversteekplaats bleven stilstaan en/of

die voetgangersoversteekplaats is opgereden op het moment dat een voetganger een aanvang had gemaakt en/of doende was de rijbaan van links naar rechts (gezien vanuit verdachtes rijrichting) over te steken en/of

die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger;

2.

hij op 22 februari 2015 te Rotterdam als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest, of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt bij een verkeersongeval op de Maasboulevard aldaar, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [naam slachtoffer] ) letsel en/of schade is toegebracht.

3 Bewijsoverwegingen.

3.1

Inleiding.
1
Op 22 februari 2015 omstreeks 03:25 uur heeft op de Maasboulevard te Rotterdam (ter hoogte van uitgaansgelegenheid [naam horecagelegenheid] ) een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een voetganger en een personenauto waren betrokken. Hierbij is de voetganger, de 28-jarige [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ), zwaargewond geraakt.2 Zij is naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar zij op 23 februari 2015 aan haar verwondingen is overleden.

[naam verdachte] (hierna: verdachte) was op bovengenoemd moment de bestuurder van de auto. Behalve [naam verdachte] zaten ook twee vrienden van hem als passagiers in de auto. Terwijl zij met de cruise control ingeschakeld op de Maasboulevard reden, kwam er met een doffe klap iets tegen de voorruit van de auto. Verdachte is na de klap doorgereden naar de [straatnaam] , alwaar de auto in een garagebox is geparkeerd. Verdachte heeft zich de volgende dag om 17:55 uur bij de politie gemeld als bestuurder van de bij het ongeval betrokken auto.3

De vraag die de rechtbank thans moet beantwoorden is of verdachte zich door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafba(a)r(e) feit(en).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank bewezen zal verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van feit 1, zowel de primair als subsidiair ten laste gelegde variant, dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

Feit 1 primair – Artikel 6 WVW 1994

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of er sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Concreet betekent dit, dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn, daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Om een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn naar het oordeel van de rechtbank de in de inleiding opgenomen feiten en omstandigheden vast komen te staan. Deze feiten hebben niet ter discussie gestaan.

Wat niet is komen vast te staan

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan of verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd of dat het slachtoffer dat gedaan heeft. De – uiteenlopende - verklaringen die door verdachte en de verschillende getuigen zijn afgelegd bieden daarvoor te weinig duidelijkheid. Bovendien ontbreekt ondersteunende informatie over de verkeersregelinstallatie op de plaats van het ongeval. Normaal gesproken worden gegevens zoals bijvoorbeeld tijdstippen van kleurwijzigingen en gebruik van drukknoppen door de gemeente opgeslagen in een zogenaamd ‘fasenlog’, maar op de bewuste avond is sprake geweest van een storing binnen het netwerk waardoor deze gegevens niet zijn veiliggesteld. Verder is de snelheid waarmee de auto van verdachte reed ten tijde van het ongeval onbekend gebleven. Hoewel een aantal getuigen heeft verklaard dat zij dachten dat de auto met een snelheid van 80 km/uur heeft gereden, is dit niet vast komen te staan. Over de snelheid van de auto heeft de politie enkel kunnen vaststellen dat er geen indicaties zijn dat verdachte harder heeft gereden dan de toegestane snelheid van 50 km/uur. Evenmin is voldoende duidelijk geworden wie van de betrokken personen zich op welk moment op welke exacte positie heeft bevonden vlak voor en tijdens het ongeval. Tot slot is niet komen vast te staan of verdachte wel of niet heeft geremd en, als verdachte heeft geremd, op welk moment dat is geweest.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte met ingeschakelde cruise control op een onoverzichtelijke situatie is afgereden. Een bestuurder die op de cruise control rijdt, reageert trager op onverwachte verkeerssituaties. Door aldus te handelen heeft verdachte volgens de officier van justitie schuld aan het ontstaan van het ongeval.

De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. De vraag of het verantwoord is om met ingeschakelde cruise control te rijden kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar is afhankelijk van de verkeerssituatie ter plaatse. De Maasboulevard is een doorgaande tweebaansweg. Op de plaats van het ongeval bestaan beide rijbanen uit twee rijstroken en is een voetgangersoversteekplaats gesitueerd, voorzien van verkeerslichten. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld door te rijden met de cruise control ingeschakeld. Evenmin is het een vaststaand gegeven dat het rijden op de cruise control in zijn algemeenheid het reactievermogen van een bestuurder vermindert.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte zijn snelheid had moeten aanpassen toen hij de voetgangersoversteekplaats naderde. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang. De voetgangersoversteekplaats was voorzien van verkeerslichten en niet is vastgesteld dat verdachte een verkeerslicht heeft genegeerd. Het ongeval vond plaats om 3:25 uur ’s nachts, een tijdstip waarop het in het algemeen niet druk is op straat. Zoals hiervoor is opgemerkt, is onduidelijk gebleven wie van de betrokken personen zich op welk moment op welke exacte positie heeft bevonden vlak voor en tijdens het ongeval. Onder deze omstandigheden blijkt niet dat bij de voetgangersoversteekplaats sprake was van een situatie op grond waarvan verdachte zijn snelheid had moeten aanpassen.

Het bovenstaande in ogenschouw nemend, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte op 22 februari 2015 met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid heeft gereden.

Feit 1 subsidiair – Artikel 5 WVW 1994

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank evenmin tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat concreet gevaar op de weg werd of kon worden veroorzaakt.

De rechtbank zal verdachte dan ook van zowel het onder feit 1 primair als subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2 – Verlaten plaats ongeval

Gelet op het onder 3.1 overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van ongeval nadat hij [naam slachtoffer] had aangereden en zij zwaargewond op het wegdek lag.

3.5

De bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 22 februari 2015 te Rotterdam als degene die als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, betrokken was geweest bij een verkeersongeval op de Maasboulevard aldaar, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, een ander, te weten [naam slachtoffer] , letsel en schade is toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging.

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar zal opleggen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren zal worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is in vergelijking met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor strafbare feiten als de onderhavige. Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte zijn rijbewijs reeds twee jaar kwijt is geweest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval nadat hij bij een aanrijding betrokken was geweest. Verdachte heeft een jonge vrouw van 28 jaar aangereden. Het slachtoffer lag gewond op de weg en vocht voor haar leven. In het ziekenhuis is zij uiteindelijk aan haar verwondingen overleden. Ondanks de harde klap die verdachte hoorde en ondanks de verbrijzelde voorruit is verdachte na het ongeval niet gestopt om eerste hulp te verlenen en zich kenbaar te maken, maar is hij direct doorgereden. Hij heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer maar is er uit puur eigenbelang vandoor gegaan. Bijna 15 uur na het ongeval heeft verdachte zich uiteindelijk om hem moverende redenen gemeld bij de politie. Het door verdachte vertoonde gedrag is niet alleen schokkend maar tevens zeer laakbaar en de rechtbank rekent verdachte dit gedrag dan ook in sterke mate aan.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 4 mei 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de:

- artikelen 9, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- artikelen 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 90 (NEGENTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 45 (VIJFENVEERTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

mr. F.W. van Dongen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Bruins, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2017.

Voetnoten

1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [proces-verbaalnummer] van de politie eenheid Rotterdam, Verkeerspolitie /Verkeersongevallengroep, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 334).
2
Proces-verbaal Relaas, p. 1.
3
Verklaring verdachte [naam verdachte] ter terechtzitting d.d. 19 juni 2017.