ECLI:NL:RVS:2017:1328 Raad van State , 18-05-2017 / 201608226/1/V3

Uitspraak

201608226/1/V3.

Datum uitspraak: 18 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.  

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft jegens de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het inreisverbod ondeugdelijk heeft gemotiveerd, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 (hierna: het arrest Z.Zh. en I.O.).

3.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit weergegeven motivering geen betrekking heeft op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling, nu hij in het besluit heeft vermeld dat de vreemdeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden is veroordeeld voor het aanwezig hebben van synthetische drugs en hennepteelt en heeft gewezen op de schadelijke gevolgen van deze drugs en van drugscriminaliteit. Voorts is in het besluit vermeld dat de opgelegde gevangenisstraf niet gering is, hetgeen betrekking heeft op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en waaruit de ernst van de strafbare feiten blijkt, aldus de staatssecretaris. Ook is erop gewezen dat de bedreiging nog actueel is, nu de vreemdeling op 28 november 2014 is veroordeeld en hij op het moment dat het besluit werd genomen nog was gedetineerd. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het besluit ook de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling bij de beoordeling betrokken.

3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van de staatssecretaris, dat drugscriminaliteit vaak met andere vormen van criminaliteit gepaard gaat, is gebaseerd op een algemene praktijk of vermoeden en dat de beschrijving van de door de vreemdeling gepleegde strafbare feiten slechts feitelijk is.

    De staatssecretaris heeft in het besluit echter ook de recente pleegdatum, de niet geringe duur van de opgelegde gevangenisstraf en het feit dat de vreemdeling zijn tijd sinds het plegen van het misdrijf uitsluitend in detentie heeft doorgebracht meegewogen. Tegen die achtergrond komt aan de gedragingen van de vreemdeling na zijn veroordeling nauwelijks betekenis toe, aangezien deze louter gerelateerd kunnen worden aan zijn verblijf in detentie. Hetzelfde geldt voor het feit dat als gevolg van de detentie vooralsnog niet is kunnen blijken dat het gevaar voor recidive is geweken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarmee overeenkomstig het arrest Z.Zh. en I.O. de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling voldoende bij de beoordeling heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2015 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Folkertsma-Agtersloot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Folkertsma-Agtersloot

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017

699.