Faillissement en omzetbelasting bij verkoop van verpande zaken door de curator (1996.46.3436)


De staatssecretaris van Financiën heeft de Belastingdienst aanwijzingen gegeven ten aanzien van de vraag of de omzetbelasting die de boedel verschuldigd is als gevolg van levering van verpande zaken door de curator in een faillissement, gerekend moeten worden tot de algemene dan wel tot de bijzondere faillissementskosten. Onderhandse verkopen van tot de boedel behorende verpande zaken door de curator zijn gebaseerd op art. 58 Fw. Verkoop op grond van het eerste lid is aan de orde als de pandhouder de door de curator gestelde termijn om te verkopen laat verstrijken. De af te dragen omzetbelasting behoort dan tot de bijzondere faillissementskosten, die uit de bruto-opbrengst moet worden voldaan.

De curator is bevoegd de verpande zaak van het pandrecht te bevrijden door voldoening van de pandhouder (lossingsrecht, art. 58 lid 2 Fw). De Belastingdienst is van mening dat De BTW die is verschuldigd bij de belaste levering van de onroerende zaak kan worden aangemerkt als sprake is van bijzondere faillissementskosten, die uit de bruto-opbrengst van het verkochte pand dient te worden voldaan. Dit in tegenstelling tot het standpunt van de banken: de gehele opbrengst komt toe aan de pandhouder. In afwachting van het resultaat van een lopende proefprocedure is goedgekeurd dat het standpunt van de banken mag worden gevolgd. Op afgewikkelde faillissementen zal niet worden teruggekomen indien de uitkomst van de procedure in het voordeel van de Belastingdienst is.

Ministerie van Financiën; 10 september 1996; V-N, 1996 blz. 4319

Verder lezen