Fiscale afschrijving van huurdersinvesteringen


Het is niet ongebruikelijk dat een huurder voor eigen rekening (aanzienlijke) investeringen verricht in een door hem gehuurde onroerende zaak teneinde die onroerende zaak (meer) geschikt te maken voor aanwending binnen de onderneming van de huurder. In dit artikel wil ik de problematiek ten aanzien van de fiscale afschrijving van dergelijke huurdersinvesteringen in kaart brengen.

1 Economisch goed

De huurder heeft niet de juridische eigendom van het geïnvesteerde. Hij heeft echter wel een investering verricht die voor hem een zekere waarde vertegenwoordigt. Vanuit fiscaal oogpunt wordt dit niet gezien als een investering in een onroerende zaak. Is de investering van voldoende omvang, dan krijgt het huurrecht echter een bijzondere waarde en wordt het fiscaal aangemerkt als een economisch goed waar de huurder op kan afschrijven.2

In de (onwaarschijnlijke) situatie dat de huurder aan het einde van de huurperiode voor zijn investering een vergoeding krijgt tegen de waarde in het economische verkeer, is overigens sprake van een economisch eigendom van het geïnvesteerde onderdeel van de onroerende zaak in plaats van een economisch goed. In dat geval kan op dat onderdeel van de onroerende zaak worden afgeschreven.

2 Afschrijving ineens

Indien een huurdersinvestering in de eigen onderneming van de huurder wordt voortgebracht, is het naar mijn idee verdedigbaar dat art. 3.30, lid 3, Wet IB 2001 van toepassing is en kunnen de voortbrengingskosten in het (kalender)jaar van voortbrenging ineens worden afgeschreven.

Reikwijdte

Op grond van art. 3.30, lid 3, Wet IB 2001, kunnen voortbrengingskosten van immateriële activa in het (kalender)jaar van voortbrenging ineens worden afgeschreven. In de memorie van toelichting…

Verder lezen
Terug naar overzicht