Fondsen voor gemene rekening: toezichtrechtelijke aspecten


Al sinds lange tijd kennen wij in Nederland beleggingsinstellingen in de vorm van een ‘fonds voor gemene rekening’ (FGR). Zo zijn bijvoorbeeld veel vastgoedfondsen, vaak vanwege fiscale redenen, in de vorm van een FGR opgezet.

Nergens in de Wet op het financieel toezicht (Wft) is de term ‘fonds voor gemene rekening’ te vinden. Dit neemt niet weg dat de Wft de nodige bepalingen bevat die van toepassing zijn op FGR’s die kwalificeren als een beleggingsinstelling. De laatste tijd is een aantal bepalingen dat betrekking heeft op FGR’s gewijzigd en op de middellange termijn staan grote wijzigingen op stapel. Een mooi moment om een overzicht te geven van de relevante regels in de Wft1. Daarbij zullen wij ook stilstaan bij de toekomstige wijzigingen op dit gebied.

1 Vergunningplicht

Op grond van art. 2:65, Wft is het verboden om rechten van deelneming in een beleggingsinstelling aan te bieden zonder een vergunning van de AFM. Bij een FGR rust de vergunningplicht op de beheerder van de FGR. Een beheerder kan op grond van één vergunning rechten van deelneming in verschillende FGR’s in Nederland aanbieden.

Een beleggingsinstelling kan zowel een beleggingsmaatschappij als een beleggingsfonds zijn. Een beleggingsmaatschappij is een beleggingsinstelling in de vorm van een rechtspersoon; een beleggingsfonds is een beleggingsinstelling zonder rechtspersoonlijkheid. In deze laatste categorie vallen onder meer beleggingsinstellingen in de vorm van een personenvennootschap, zoals een commanditaire vennootschap of een maatschap, maar ook FGR’s. Om te kwalificeren als een beleggingsfonds moet sprake zijn van ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen met als doel de deelnemers…

Verder lezen
Terug naar overzicht