Geen voorkeursrecht voor pachter omdat perceel geringe oppervlakte had


V verpacht in Zuid-Holland aan P een perceel tuinbouwgrond ter grootte van 0,4 ha. Omdat V het perceel wil overdragen aan de gemeente, hebben V en de gemeente op de voet van artikel 7:381 lid 2 BW de grondkamer verzocht om vast te stellen dat aannemelijk is dat de gemeente het perceel voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken in welk geval het voorkeursrecht van de pachter ex artikel 7:378 BW niet van toepassing is.

De Centrale Grondkamer heeft geoordeeld dat het verzoek van V en de gemeente niet-ontvankelijk is omdat de oppervlakte van het verpachte perceel kleiner is dan de oppervlakte als bedoeld in artikel 7:395 BW met als gevolg dat artikel 7:381 lid 2 BW niet van toepassing is [Redactie: evenmin geldt dan het voorkeursrecht van de pachter]. In artikel 7:395 lid 1 BW is het volgende bepaald: “De artikelen 313 lid 2, 317–329, 332, 333, 348 leden 2–4, 350, 363, 364 en 366–384 zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land dat niet groter is dan één hectare.” In artikel 7:395 lid 2 BW staat: “De grondkamer is bevoegd hetzij voor haar gehele ressort, hetzij voor een gedeelte daarvan, bij besluit voor een bepaalde tak van bodemcultuur de in het vorige lid genoemde oppervlakte te verlagen, doch niet tot minder dan 50 are. De besluiten van de grondkamer worden in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.” Voor de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland zijn deze besluiten genomen voor de bodemcultuurtak tuinbouw waarbij de oppervlakte is verlaagd tot 50 are (zie bijlage 3 bij artikel 5 Uitvoeringsregeling pacht). Verder wordt nog opgemerkt dat de wetgever welbewust heeft gekozen voor onmiddellijke werking van artikel 7:395 BW.
Centrale Grondkamer 28 juli 2015, nr GP 11.748

Verder lezen