JPF 2017/43, Gerechtshof Amsterdam 20-12-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5435, 200.184.390/01 (met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz)

Inhoudsindicatie

Echtscheiding vóór WVPS. Scheiding van goederen, Vaststellingsovereenkomst inhoudende finale kwijting, Geen pensioenaanspraken vrouw op grond van redelijkheid en billijkheid of contrair gedrag

Samenvatting

Partijen waren gehuwd buiten gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is ontbonden in november 1994. In 2001 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de afwikkeling van hun huwelijk. De vaststellingsovereenkomst voorzag in finale kwijting. De vrouw werd ten tijde van het sluiten van die overeenkomst bijgestaan door haar advocaat.

Thans beroept zich de vrouw erop dat de finale kwijting niet ook ziet op de pensioenaanspraken. Het hof overweegt als volgt: de grief van de vrouw, dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de finale kwijting die partijen bij de vaststellingsovereenkomst elkaar over en weer hebben verleend tevens ziet op de pensioenrechten, kan haar niet baten. Goed voorstelbaar is dat de over en weer verleende finale kwijting niet ziet op opgebouwde pensioenrechten, zoals de vrouw stelt. Dat gegeven zou echter, onder de gegeven omstandigheden, veeleer een uitvloeisel zijn van het uitgangspunt dat er tussen partijen over en weer geen aanspraken geldend konden worden gemaakt uit hoofde van opgebouwde pensioenrechten; met andere woorden deze rechten vielen buiten het bereik van hetgeen partijen in het kader van de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime moesten afrekenen en/of verrekenen. De stelling van de vrouw dat de finale kwijting niet zag op de pensioenrechten laat zich overigens niet goed rijmen met haar stelling dat partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn afgeweken van de huwelijkse voorwaarden en tot uitgangspunt hebben genomen dat het vermogen gemeenschappelijk was.

Wat daar verder ook van zij, ook het beroep dat de vrouw in dit verband doet op de considerans van de vaststellingsovereenkomst gaat reeds niet op nu het berust op een te beperkte lezing van de betreffende passage. De vrouw wijst slechts op het woord ‘huwelijksgoederenvermogen’ in de considerans. Zoals de man ook heeft aangegeven dient deze zin geheel te worden gelezen, en tevens gezien te worden tegen de achtergrond van de tussen partijen gerezen geschillen als beschreven in de considerans. De conclusie is dat de vrouw haar stelling, dat partijen met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd onderling af te rekenen alsof tussen hen een huwelijksgoederengemeenschap heeft bestaan, onvoldoende heeft onderbouwd.

Het hof kan, in het licht van het vorenstaande, zich voor het overige aansluiten bij het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheden waar de vrouw – in eerste aanleg en hoger beroep – op heeft gewezen, voor zover al onvoorzien, niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man ongewijzigde instandhouding van ‘de overeenkomst’ mag verwachten, althans dat voor een beroep op de werking van de redelijkheid en billijkheid geen grond is.

Dat de vrouw door haar slechte gezondheidstoestand na de echtscheiding in het geheel geen pensioenvoorziening heeft kunnen opbouwen, terwijl zij daarvan uit is gegaan – al dan niet in combinatie met de duur van het huwelijk – levert in het licht van de overige omstandigheden onvoldoende grond op. Bovendien was de vrouw al in 1995 80-100 procent arbeidsongeschikt bevonden en stamt de vaststellingsovereenkomst uit 2001. Tegen die achtergrond lag het op de weg van de vrouw nader te onderbouwen waarom het uitblijven van pensioenopbouw over de periode na de echtscheiding een omstandigheid als hiervoor bedoeld oplevert. Nu – ook in hoger beroep – een voldoende ter zake dienende toelichting ontbreekt, gaat het hof aan de stellingen van de vrouw voorbij. Het beroep op onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk dat de vrouw in dit verband nog lijkt te doen is niet nader onderbouwd en behoeft dan ook geen verdere bespreking.

Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

1. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

2. Feiten

(...; red.)

3. Beoordeling

3.1. Het gaat om dit geschil in hoger beroep om het volgende. Partijen zijn [in] 1973 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden bevatten een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 15 november 1994 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Partijen hebben verschillende procedures gevoerd, waaronder een procedure over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Ter beëindiging van de tussen partijen gerezen geschillen hebben de man en de vrouw in 2001 een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Voor zover van belang voor de beoordeling in hoger beroep luidt de tekst van deze vaststellingsovereenkomst:

“In aanmerking nemende:

a. Partijen zijn [in] 1973 te Amsterdam gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, de gemeenschap van winst en die van vruchten en inkomsten daaronder begrepen.

b. (...).

c. Bij beschikking d.d. 27 mei 1993 werd (...) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De inschrijving van deze beschikking vond plaats op 15 november 1994.

d. Nadien is er tussen partijen een geschil ontstaan terzake de verrekening en verdeling van het huwelijksgoederenvermogen, waarvoor de man de vrouw heeft gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar (...).

e. Bij gelegenheid van de comparitie in die procedure op 21 november 2000 zijn partijen bij elkander te rade gegaan omtrent een oplossing in der minne, zodat zij thans dit schil wensen te regelen onder de navolgende voorwaarden.

f. Daarnaast is bij deze Rechtbank een procedure tussen partijen aanhangig (...) welke met deze overeenkomst zal worden ingetrokken.

KOMEN OVEREEN

Artikel 1

Ter verrekening van de door de man ten behoeve van het vermogen van de vrouw betaalde bedragen voldoet de vrouw een de man een bedrag van vijftigduizend gulden (ƒ 50.000,=).

(...).

Artikel 5

Na voldoening van het zal de onderhavige procedure, alsmede de procedure (...) door partijen worden geroyeerd.

Artikel 6

(...). Partijen sluiten over en weer uitdrukkelijk de mogelijkheid uit om deze overeenkomst te ontbinden.

Artikel 8

Na voldoening van het bovenstaande verlenen partijen elkaar volledige en onvoorwaardelijke kwijting.”

3.2. De vrouw heeft in eerste aanleg – na wijziging van eis bij akte – gevorderd dat de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden en/of de vaststellingsovereenkomst tussen partijen wordt gewijzigd en/of geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden, in die zin dat – kort gezegd – de door de man staande huwelijk opgebouwde pensioenrechten geheel of gedeeltelijk gemeenschappelijk zijn, en/of te verklaren voor recht dat de vrouw een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeeltelijke aanspraak heeft op deze pensioenrechten van de man. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw alle afgewezen. De vrouw komt op tegen dat vonnis en heeft daartoe vier grieven geformuleerd, waarbij de vrouw zoals gezegd heeft geconcludeerd dat haar vorderingen alsnog dienen te worden toegewezen.

3.3. Met haar eerste grief komt de vrouw onder meer op tegen de overweging van de rechtbank dat bij toepassing van artikel 6: 258 BW de rechter eenzelfde terughoudendheid dient te betrachten als bij toepassing van artikel 6: 248, lid 2 BW, op grond waarvan een tussen partijen geldende regel uitsluitend dan niet van toepassing is indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel niet uitgesloten is dat ook een reeds uitgevoerde overeenkomst op grond van artikel 6:258 BW kan worden herzien, een dergelijke herziening mede met het oog op de rechtszekerheid zelden in overeenstemming zal zijn met de redelijkheid en billijkheid.

Voor zover de vrouw met haar grief klaagt dat de rechtbank aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van het beroep van de vrouw op herziening dan wel wijziging, treft deze grief geen doel, nu deze maatstaf voortvloeit uit de betreffende wettelijke bepaling, bezien in het licht van de wetsgeschiedenis. Het is daarbij aan de vrouw de omstandigheden voor te dragen die de slotsom rechtvaardigen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de man de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tussen partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten. Alvorens het hof hierop ingaat, dient eerst het volgende te worden besproken.

3.4. De vrouw stelt in de toelichting op haar eerste grief voorts aan de orde dat de rechtbank haar beroep op artikel 6:258 BW slechts heeft getoetst aan de overeenkomst huwelijkse voorwaarden. De vrouw wijst er in hoger beroep op dat zij ook ten aanzien van de naderhand tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst een beroep heeft gedaan op herziening dan wel wijziging. De vrouw geeft in de toelichting op haar tweede grief aan dat partijen bij of met het sluiten van deze overeenkomst niet geacht kunnen worden te hebben voorzien dat de pensioenrechten niet verrekend zouden worden en dat de kwijting die partijen elkaar over en weer hebben verleend enkel ziet op hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is geregeld.

3.5. Het hof stelt voorop dat partijen buiten iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat hun huwelijk is ontbonden op 15 november 1994. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is eerst in 2001 tot stand gekomen. Ten tijde van de ontbinding van het huwelijk was de stand van wetgeving en jurisprudentie aldus, dat de vrouw – vanwege de werking van de uitsluiting van iedere gemeenschap en bij het ontbreken van een specifiek beding in de huwelijkse voorwaarden – geen aanspraak toekwam op enig aandeel in de door de man opgebouwde pensioenrechten. De pensioenaanspraken die een voormalig echtgenoot destijds geldend kon maken op grond van het arrest Boon-Van Loon, golden immers slechts voor voormalig echtelieden die gehuwd waren geweest in een wettelijke (of een bij huwelijkse voorwaarden gecreëerde beperkte) gemeenschap van goederen. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen is het huwelijk tussen partijen ontbonden voorafgaande aan de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten, zodat ook uit dezen hoofde de vrouw geen aanspraak op enig aandeel in de pensioenrechten van de man toekwam. De vrouw werd ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bijgestaan door een (haar) advocaat zodat in ieder geval de man ervan uit mocht gaan dat zij met haar rechtspositie dienaangaande destijds bekend was.

3.6. De grief van de vrouw, dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de finale kwijting die partijen bij de vaststellingsovereenkomst elkaar over en weer hebben verleend tevens ziet op de pensioenrechten, kan haar in het licht van hetgeen onder 3.5. is overwogen niet baten. Goed voorstelbaar is dat de over en weer verleende finale kwijting niet ziet op opgebouwde pensioenrechten, zoals de vrouw stelt. Dat gegeven zou echter, onder de gegeven omstandigheden, veeleer een uitvloeisel zijn van het uitgangspunt dat er tussen partijen over en weer geen aanspraken geldend konden worden gemaakt uit hoofde van opgebouwde pensioenrechten; met andere woorden deze rechten vielen buiten het bereik van hetgeen partijen in het kader van de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime moesten afrekenen en/of verrekenen.

De stelling van de vrouw dat de finale kwijting niet zag op de pensioenrechten laat zich overigens niet goed rijmen met haar stelling dat partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn afgeweken van de huwelijkse voorwaarden en tot uitgangspunt hebben genomen dat het vermogen gemeenschappelijk was.

Wat daar verder ook van zij, ook het beroep dat de vrouw in dit verband doet op de considerans van de vaststellingsovereenkomst gaat reeds niet op nu het berust op een te beperkte lezing van de betreffende passage. De vrouw wijst slechts op het woord “huwelijksgoederenvermogen” in de considerans. Zoals de man ook heeft aangegeven dient deze zin (zie het citaat onder rechtsoverweging 3.1. sub d.) geheel te worden gelezen, en tevens gezien te worden tegen de achtergrond van de tussen partijen gerezen geschillen als beschreven in de considerans.

De conclusie is dat de vrouw haar stelling, dat partijen met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd onderling af te rekenen alsof tussen hen een huwelijksgoederengemeenschap heeft bestaan, onvoldoende heeft onderbouwd.

3.7. Het hof kan, in het licht van het vorenstaande, zich voor het overige aansluiten bij het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheden waar de vrouw – in eerste aanleg en hoger beroep – op heeft gewezen, voor zover al onvoorzien, niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man ongewijzigde instandhouding van “de overeenkomst” mag verwachten, althans dat voor een beroep op de werking van de redelijkheid en billijkheid geen grond is.

Dat de vrouw door haar slechte gezondheidstoestand na de echtscheiding in het geheel geen pensioenvoorziening heeft kunnen opbouwen terwijl zij daarvan uit is gegaan, al dan niet in combinatie met de duur van het huwelijk levert in het licht van de overige omstandigheden onvoldoende grond op. Bovendien was de vrouw al in 1995 80-100 procent arbeidsongeschikt bevonden en stamt de vaststellingsovereenkomst uit 2001. Tegen die achtergrond lag het op de weg van de vrouw nader te onderbouwen waarom het uitblijven van pensioenopbouw over de periode na de echtscheiding een omstandigheid als hiervoor bedoeld oplevert. Nu – ook in hoger beroep – een voldoende ter zake dienende toelichting ontbreekt, gaat het hof aan de stellingen van de vrouw voorbij. Het beroep op onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk dat de vrouw in dit verband nog lijkt te doen is niet nader onderbouwd en behoeft dan ook geen verdere bespreking.

3.8. De derde en vierde grief komen – zo geeft de vrouw zelf ten aanzien van de vierde grief al aan in de memorie van grieven – in het licht van het voorgaande geen zelfstandige betekenis toe. Deze behoeven dan ook geen afzonderlijke bespreking.

3.9. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het hof zal de compensatie van kosten uit de eerste aanleg in stand laten, maar ziet in de ongegrondheid van de grieven aanleiding de vrouw als in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, alsmede in de gevorderde nakosten voor zover de vrouw niet tijdig voldoet aan de uit te spreken veroordeling in de kosten. Het hof zal de vrouw daarbij veroordelen in de over de proceskosten verschuldigde wettelijke rente na deze termijn nu het verzuim ten aanzien van die kosten geacht kan worden alsdan te zijn ingetreden en deze vordering voor het overige niet toewijzen.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de man begroot op € 311,= aan verschotten en € 894,= voor salaris en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval de vrouw niet binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak heeft voldaan aan deze kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten van het geding in hoger beroep te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Noot

In het Boon/Van Loon-arrest dat op dit huwelijk van toepassing is (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, ECLI:NL:HR:1981:AG4271), wordt bepaald dat verrekening van pensioenaanspraken alleen plaats vindt bij partijen wier huwelijksgemeenschap de waarde van de pensioenrechten kan omvatten. De huwelijkse voorwaarden in het onderhavige huwelijk sloten elke gemeenschap van goederen uit zodat pensioenverrekening voor de vrouw niet aan de orde kon zijn. Voor de vrouw is deze uitspraak zuur: partijen zijn in november 1994 – een half jaar vóór de invoering van de WVPS – gescheiden na een huwelijk van 21 jaren, en dat kost haar iedere aanspraak op de pensioenrechten van haar ex-man. Voorts heeft de vrouw vanwege ziekte na de echtscheiding zelf geen pensioenaanspraken kunnen opbouwen.

De vrouw probeert alsnog verrekening van de pensioenafspraken te bereiken via de band van de vaststellingsovereenkomst die partijen in 2001 hebben gesloten. Daar zou volgens de vrouw in staan dat partijen hebben afgesproken om het huwelijksvermogen te verrekenen alsof partijen waren gehuwd in de gemeenschap van goederen. Op zich is het mogelijk om in een vaststellingsovereenkomst contra legem te contracteren, zie art. 7:900 BW, maar de vraag is of deze lezing te rijmen valt met het tussen partijen overeengekomene. Het hof wijst deze uitleg van de vaststellingsovereenkomst af.

Verder probeert de vrouw het via de redelijkheid en billijkheid, die instandhouding van de overeenkomst onaanvaardbaar zou maken. Maar ook dit beroep faalt: ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was de vrouw al grotendeels arbeidsongeschikt. Zij werd door haar advocaat bijgestaan en – zo lijkt het hof dan te redeneren – dan had die ervoor moeten zorgen dat deze kwestie in de overeenkomst ook aan de orde zou komen. Alleen het feit van de arbeidsongeschiktheid leidt er niet toe dat de vaststellingsovereenkomst weer opengebroken kan worden.

Uit deze uitspraak blijkt dat zich het ‘vergeten’ van een regeling aangaande de pensioenaanspraken bij oude huwelijken buiten gemeenschap van goederen, in een convenant of een latere vaststellingsovereenkomst, ernstig kan wreken. Het lijkt mij terecht dat het hof uitgaat van de hoofdregel van het (huwelijksvermogens)recht: pacta sunt servanda. De inhoud van de huwelijkse voorwaarden en de daarop gebaseerde vaststellingsovereenkomst ter gelegenheid van de echtscheiding blijft het uitgangspunt. Op degene die hiervan wil afwijken, rust een zware stel- en bewijslast. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad die ook slechts in uitzonderingsgevallen van deze eerdere afspraken wil afwijken, zie HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, NJ 2004, 399. Afwijkingen zijn wel voorgekomen, zie bijvoorbeeld Rb. Leeuwarden 14 januari 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BH0633, «JPF» 2009/45, en Hof Amsterdam 12 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4488, «JPF» 2010/2, bekrachtigd door de Hoge Raad in HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1402 (art. 81 RO), maar dit zijn bijzondere gevallen. In de zaak van Rb. Leeuwarden was er sprake van onvoorziene omstandigheden en contrair gedrag; in de zaak van Hof Amsterdam was er sprake van een veel korter huwelijk dan waar de huwelijkse voorwaarden voor waren geschreven.

In de onderhavige zaak betrof het niet huwelijkse voorwaarden in een situatie die heel anders was gelopen dan partijen bij het afsluiten ervan hadden voorzien; in deze casus betrof het een vaststellingsovereenkomst nà de echtscheiding toen partijen konden weten wat de juridische consequenties van de huwelijkse voorwaarden waren, zeker nu de vrouw zich van juridische bijstand had voorzien. Openbreken van die afspraken ligt dan niet voor de hand.

Een laatste redmiddel voor de vrouw zou kunnen zijn de advocaat aansprakelijk te stellen voor zijn slechte advisering waardoor de vrouw in deze hopeloze financiële situatie terecht is gekomen. Dit soort fouten zien wij helaas vaker. Laten we hopen dat de advocatuur in het vervolg zorgvuldiger te werk gaat en dit soort belangrijke aspecten bij de onderhandelingen voor een convenant of soortgelijke regeling meeneemt.

prof. mr. B.E. Reinhartz

Verder lezen
Terug naar overzicht