KB onteigening gemeente Ridderkerk (zelfrealisatie) (Titel IV)


Koninklijk Besluit van 5 maart 2016, nr. 2016000364, inzake onteigening in de gemeente Ridderkerk krachtens Titel IV van de Onteigeningswet (onteigeningsplan Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard Ridderkerk). De Kroon oordeelt ter zake onder meer als volgt.

Reclamante betwist de noodzaak van de onteigening van haar onroerende zaak. Zij voert hiertoe aan dat de doelstelling al wordt beantwoord bij de onteigening van de overige in de onteigening betrokken onroerende zaken. De beoogde realisatie van een kantoorgebouw is niet noodzakelijk voor de doelstelling van de verzoeker. Zeker niet in het licht van de vele miljoenen vierkante meters leegstaande kantoorruimte in Nederland. Bovendien blijkt op de te onteigenen onroerende zaak parkeervoorzieningen te kunnen worden gerealiseerd. Reclamante is van plan haar onroerende zaak hiervoor aan te wenden. Reclamante doet in dat verband een beroep op zelfrealisatie.

Voorts voert reclamante aan dat de verzoeker haar heeft aangeboden om het perceel van haar te kopen tegen € 45,– per m2 en daarna terug te kopen tegen € 275,– per m2 tezamen met een naastgelegen perceel. Een andere geboden mogelijkheid was dat reclamante het verschil tussen deze bedragen zou afrekenen met de Gemeenschappelijke Regeling, waarna reclamante de vrijheid zou behouden c.q. krijgen om de door haar gewenste parkeerplaatsen te realiseren. Hieruit blijkt dat de verzoeker slechts een financieel belang heeft. Reclamante merkt op dat zij acht jaar geleden de herinrichting van de aansluiting van de Krommeweg op de (openbare) Verbindingsweg zelf heeft gefinancierd.

Met betrekking tot het beroep van reclamante op het zelfrealisatiebeginsel, overweegt de Kroon in het algemeen dat bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening zal worden getoetst of het doel waarvoor wordt onteigend niet te bereiken valt door het door de grondeigenaar zelf uitvoeren van de bestemmingen die aan zijn eigendom zijn toegekend. Indien de eigenaar te kennen geeft daartoe bereid en in staat te zijn, bestaat er in beginsel geen noodzaak tot onteigening. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt in de situatie dat de verzoeker om onteigening een andere vorm van planuitvoering wenst dan die welke de grondeigenaar voor ogen staat. In dat geval is onteigening alleen te rechtvaardigen als de verzoeker om onteigening kan aantonen dat het algemeen belang de door hem gewenste vorm van uitvoering vordert. De beoordeling welke vorm van uitvoering dienstig is aan het algemeen belang, is daarbij voorbehouden aan het bestuursorgaan dat het inpassingsplan heeft vastgesteld. Of de grondeigenaar bereid en in staat is om zelf tot planuitvoering over te gaan, hangt dan ook mede af van de door het bestuursorgaan gewenste vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de gewenste vorm van planuitvoering aan de grondeigenaar kenbaar zijn. De vorm van planuitvoering kan worden afgeleid uit de planregels en de toelichting van een inpassingsplan alsmede in al dan niet daarvan deel uitmakende inrichtings- en verkavelingsschetsen. De gewenste vorm van uitvoering kan ook tot uitdrukking komen in een exploitatieplan. Andere situaties die een beroep op zelfrealisatie in de weg kunnen staan, zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming op doelmatige wijze zelf te kunnen realiseren of als de te onteigenen gronden geen afzonderlijk deel van het uit te voeren project kunnen vormen.

Volgens de verzoeker en in het namens de Kroon ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat reclamante over onvoldoende grond beschikt om het inpassingsplan te realiseren in de vorm van de planuitvoering die de verzoeker voorstaat. De van reclamante in de onteigening betrokken onroerende zaak maakt deel uit van kavels voor de realisatie van twee gebouwen waarvan de bouwvlakken zich ook uitstrekken over naastgelegen onroerende zaken die geen eigendom zijn van reclamante. Dat de verzoeker heeft aangeboden de naastgelegen percelen aan Ridderster te verkopen doet hieraan niets af. Zolang de verzoeker daarover geen overeenstemming kan bereiken met reclamante, is de onteigening van de onroerende zaak van reclamante noodzakelijk om de bestemming te realiseren. De prijs die de verzoeker hanteert voor zowel de aangeboden grond alsook de bijdrage die hij van reclamante verlangt voor de realisatie van haar onroerende zaak is gebaseerd op het bij het inpassingsplan behorende exploitatieplan. De Kroon is dan ook van oordeel dat de verzoeker met de onteigening van de onroerende zaak van reclamante niet uitsluitend een financieel belang heeft.

Voor zover de zienswijze is gericht tegen het exploitatieplan overweegt de Kroon dat deze in het kader van de vaststellingsprocedure van dit plan aan de orde gesteld konden worden. Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 3 de Kroon geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
KB onteigening gemeente Ridderkerk (zelfrealisatie)

Verder lezen
Terug naar overzicht