Lijfrente zowel in box 1 als box 3 in aftrek


Samenvatting

Belanghebbende heeft een lijfrente geschonken ter grootte van zes jaarlijkse termijnen. In zijn aangifte IB heeft hij op het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) een jaarlijkse lijfrentetermijn van € 72.605 als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij bij de berekening van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) de contante waarde van de lijfrenteverplichting als schuld in aanmerking genomen. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de in box 3 vermelde schuld vanwege de lijfrenteverplichting niet geaccepteerd omdat persoonsgebonden aftrek in box 1 heeft plaatsgevonden. De rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 zou het opnemen van de schuld in box 3 verhinderen. Rechtbank Haarlem (NTFR 2007/1817) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. De Hoge Raad casseert de uitspraak van de rechtbank. Een persoonsgebonden aftrekpost van art. 6.1 Wet IB 2001 is niet box gebonden. De rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 is daarop niet van toepassing. Deze bepaling staat derhalve niet eraan in de weg de lijfrenteverplichting als een box 3-schuld aan te merken.

Feiten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft bij notariële akte van 20 december 2000 een lijfrente geschonken aan de Stichting E ter grootte van zes jaarlijkse termijnen van € 72.605.

3.1.2. De door hem in de jaren 2001 en 2002 betaalde termijnen van de lijfrente komen als persoonsgebonden aftrek (aftrekbare giften) in mindering op belanghebbendes inkomen uit werk en woning over die…

Verder lezen
Terug naar overzicht