NBSTRAF 2017/117, Hoge Raad 28-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:336, 2420.15

Inhoudsindicatie

Medeplegen, Aanwezig hebben hennep

Samenvatting

De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het aanwezig hebben van hennep.

Uitspraak

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde “medeplegen” ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 26 juli 2007 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan Gerard de W.straat 12) een hoeveelheid van ongeveer 848 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2007161214-1 van 30 juli 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren Petrus de Knijff en Barend de Kort (pagina 4 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, onder meer in als verklaring van verbalisanten:

Op 26 juli 2007 betraden wij, vergezeld van twee medewerkers van het SEON en een medewerker van het NUON de woning aan de Gerard de W.straat 12 te Amstelveen.

Bij binnenkomst zag ik, 1e verbalisant, een vrouw de trap afkomen. Ik vroeg haar of zij in de woning woonde. Zij stemde hier mee in.

Ik, 2e verbalisant, liep naar de eerste verdieping en zag dat er zich daar een hennepplantage bevond. Hierop heb ik, 1e verbalisant, de vrouw aangehouden, die later bleek te zijn genaamd: Sophie E., geboren te Amsterdam op 15 maart 1980, wonende Gerard de W.straat 12, Amstelveen.

Wij zagen dat de slaapkamer aan de achterzijde van de eerste verdieping was ingericht als hennepplantage. Wij zagen dat in de ruimte, na latere telling, 436 hennepplanten stonden waarboven zogenaamde assimilatielampen hingen.

Op de zolder, tweede verdieping, zagen wij een ruimte die was ingericht als hennepplantage. Wij zagen namelijk dat in deze ruimte, na latere telling, 412 hennepplanten stonden waarboven zogenaamde assimilatielampen hingen. Alle goederen met betrekking tot de hennepplantage zijn inbeslaggenomen.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2007161214-3 van 26 juli 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren Petrus de Knijff en Barend de Kort (pagina 9 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, onder meer in als verklaring van verdachte:

Ik ben sinds oktober vorig jaar in Nederland. Ik ben samen met mijn vriend gekomen; hij heet Sergey M. Ik woon al sinds ongeveer maart 2007 op de Gerard de W.straat 12, meestal alleen met mijn vriend. Er zijn wat Nederlandse mensen. Die geven ons 2000,= euro per maand om daar te wonen. We moeten het schoon houden. Ongeveer een maand nadat wij in de woning zijn gaan wonen, zijn ze begonnen met bouwen. Ik weet niet hoe lang het duurde voor dat de plantage op gebouwd was. Er kwamen vaak mensen om de planten water te geven. Ik wist niet wat er stond, maar ik dacht dat het wel iets met drugs te maken had. Mijn vriend regelde alle geldzaken.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2007161214-9 van 26 juli 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren Petrus de Knijff en Barend de Kort (pagina 20 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, onder meer in als verklaring van medeverdachte Sergey M.:

Ik ben samen met mijn vriendin naar Nederland gekomen vorig jaar. Het huurcontract van de woning is 1 maart 2007 ingegaan.

Ik heb een Nederlandse blanke man, genaamd Henkie A., leren kennen. Ik vertelde hem dat ik wel een huis wilde hebben in Nederland. Hij zei vervolgens dat hij mij kon helpen. Ik ontmoet hem nooit. Hij komt overdag als ik weg ben. Hij laat geld achter op de tafel. Henkie A. heeft voor mij een huis gezocht bij Jeroen van K. in Amstelveen. Ik ben gaan kijken bij het huis samen met mijn vriendin. Daarna ben ik naar Jeroen van K. zijn huis gegaan en daar hebben we het huurcontract ingevuld. Van Henkie A. moest ik een andere naam opgeven dan mijn eigen naam. Henkie A. zei namelijk als ik mijn eigen Bulgaarse naam op zou geven, dan zou ik geen huis krijgen. Ik heb toen op het huurcontract de naam van Pieter de Groot, geboren 12 september 1979. Ik heb dit huurcontract getekend samen met Jeroen van K. en ik wist dat ik iets tekende zonder mijn eigen naam. Ik heb een maand huur betaald en een maand borg. Het geld had ik van Henkie A. gekregen. Ik kon de woonkamer gebruiken en een slaapkamer op de eerste verdieping. Ik kwam er wonen op 1 mei en toen was alles reeds al verbouwd. Ik mocht op de achterkamer en op de zolder niet komen. Men kwam overdag en ik moest voor acht uur ’s ochtends weg zijn en kon ’s avonds na zes of zeven uur weer thuis komen. Als Henkie A. in de woning was en de huur moest betaald worden dan legde Henkie A. het geld op tafel. Henkie A. heeft de elektriciteit aangevraagd op naam van Pieter de Groot. Ik kreeg € 2000,= van Henkie A. en daarvan moest ik de huur en alle rekeningen betalen die binnenkwamen.

4. Een geschrift, zijnde een rapport van de politie Amsterdam-Amstelland Dienst Regionale Recherche, in de zaak contra de verdachte, verdacht van overtreding van de Opiumwet. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – als verklaring van ing. P.H. Walinga, vast gerechtelijk deskundige:

Na de beoordeling van het uiterlijk werd het materiaal onderzocht met behulp van een van de hieronder genoemde methoden: gaschromatografie met massa-selectieve detectie.

Omschrijving van het materiaal en identiteit: zes bovengrondse plantendelen met vrouwelijke bloemen, vers gewicht 61,4 g, droog gewicht 12,5 g. Is hennep. Hennep is vermeld op lijst 2 behorende bij de Opiumwet.”

2.2.3. Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“De verdachte heeft volgens haar verklaring bij de politie, afgelegd op 26 juli 2007, samen met haar vriend Sergey M., omstreeks maart 2007 een woning betrokken aan de Gerard de W.straat 12 in Amstelveen. Twee niet bij name aangeduide mensen hadden hen gevraagd een huis te huren waarbij zij huur en onkosten zouden betalen en iets zouden gaan bouwen in de woning. Verdachte en Sergey M. kregen maandelijks contant € 2000,= In de woning kwamen regelmatig mensen over de vloer om de ‘planten’ water te geven. De verdachte heeft voorts verklaard dat ‘ze’ de ruimte (naar het hof begrijpt: de ruimten waar zich hennepplanten bevonden) hadden afgesloten. De zolder was met houten planken afgesloten en de deur op de eerste verdieping was ook afgesloten. De verdachte wist naar eigen zeggen niet wat er stond, maar dacht dat het wel iets met drugs te maken zou hebben (Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 26 juli 2007, dossierpagina 9 e.v).

In de woning werd door de politie op 26 juli 2007 een hennepkwekerij aangetroffen met daarin ongeveer 848 hennepplanten.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte, bezien in samenhang (...) met de te bezigen overige bewijsmiddelen, minstgenomen sprake is van voorwaardelijke opzet op het medeplegen van het telen van de in de tenlastelegging bedoelde hoeveelheid hennepplanten. De verdachte heeft immers bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de door haar en Sergey M. gehuurde woning hennep zou worden geteeld. Door het niettemin (blijven) huren en ter beschikking (blijven) stellen van haar woning heeft zij hieraan een dusdanig significante bijdrage geleverd dat van medeplegen sprake is.”

 

2.3. In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, NbSr 2015/24, noot J.S. Nan, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, NbSr 2015/99, noot J.S. Nan en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, NbSr 2015/196, noot G.P.M.F. Mols heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

2.4. De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

Verder lezen
Terug naar overzicht