NBSTRAF 2017/180, Hoge Raad 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:652, 5827.14 (met annotatie van mr. S.R. Bakker)

Inhoudsindicatie

Diefstal, Heling, Witwassen

Samenvatting

Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat hij weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal niet zou mogen betrekken dat de verdachte voor zo’n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp – welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. In geval van betrokkenheid van de verdachte na het vermogensdelict kan heling in beeld komen. Daarbij geldt wel dat krachtens het begrip van heling moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger of als medepleger door enig misdrijf heeft verkregen, aan de kwalificatie heling in de weg staat. In geval van betrokkenheid na het vermogensdelict kan ook witwassen in beeld komen. Daar geldt de voor heling bestaande kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van een eigen misdrijf niet, terwijl opzet en schuld niet zijn gekoppeld aan het moment van het voorhanden krijgen van het voorwerp.

Het Hof heeft uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen” van de in de bewezenverklaring vermelde auto “wist” dat deze auto afkomstig was uit enig misdrijf (zie ook online NbSr 2017/189).

Uitspraak

2. Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing

2.1. Bij een vermogensdelict als diefstal kan de rechter door de in de tenlastelegging aangebrachte keuzes voor de vraag worden gesteld of de verdachte zelf dat vermogensdelict heeft gepleegd dan wel of hij nadien daarbij (ook) op een strafbare wijze betrokken is geweest. Die vraag rijst in het bijzonder in die gevallen waarin de bewijsmiddelen vooral duiden op het voorhanden hebben van een voorwerp (kort) nadat met betrekking tot dit voorwerp een vermogensdelict is gepleegd.

2.2. Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat hij weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf – mede gelet op het bepaalde in art. 29 lid 1 Sv – niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal niet zou mogen betrekken dat de verdachte voor zo’n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp – welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

2.3.1. In geval van betrokkenheid van de verdachte na het vermogensdelict kan heling in beeld komen. Daarbij geldt wel dat krachtens het begrip van heling – een begunstigingsmisdrijf – moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in art. 416 of art. 417bis Sr verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger of als medepleger door enig misdrijf heeft verkregen, aan de kwalificatie heling in de weg staat. Indien dit laatste met voldoende concretisering ten verwere is aangevoerd en uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt, is kwalificatie als heling uitgesloten.

Kwalificatie als heling is tevens uitgesloten indien de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsvoering dwingt tot de gevolgtrekking dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Indien zij niet dwingt tot die gevolgtrekking – ook al laat zij die mogelijkheid wel open –, heeft de rechter de mogelijkheid dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen, kennelijk niet aannemelijk geoordeeld. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet snel onbegrijpelijk zal worden geoordeeld. In dat verband kan van belang zijn of door of namens de verdachte in feitelijke aanleg op die – aan een veroordeling ter zake van heling in de weg staande – omstandigheid een voldoende geconcretiseerd beroep is gedaan (bijvoorbeeld HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR: 2005:AT8800, NJ 2006/424).

Van belang is ook dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” bijvoorbeeld het voorhanden “krijgen” wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.

2.3.2. In geval van betrokkenheid na het vermogensdelict kan ook witwassen in beeld komen. Daar geldt de voor heling bestaande kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van een eigen misdrijf niet (HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA7923, NJ 2008/16, NbSr 2009/393), terwijl opzet en schuld niet zijn gekoppeld aan het moment van het voorhanden krijgen van het voorwerp. Wel is van belang dat niet elke gedraging die in de art. 420bis lid 1 en 420quater lid 1 Sr is omschreven, ongeacht de omstandigheden, de kwalificatie (schuld)witwassen rechtvaardigt. In het bijzonder indien een verdachte een “onmiddellijk” uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp heeft “verworven” of “voorhanden heeft gehad”, worden bepaaldelijk eisen gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet dan kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de kwalificeerbaarheid als (schuld)witwassen in verband met in het bijzonder de “onmiddellijke” afkomst uit eigen misdrijf, kan onder meer van belang zijn hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NbSr 2015/115, noot A.A. Feenstra en G.M. Boezelman, rov. 3.3.1 en 3.3.2 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, NJ 2016/82).

Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt niet voor het “eenvoudig (schuld)witwassen” als bedoeld in de – op 1 januari 2017 in werking getreden – art. 420bis.1 en 420quater.1 Sr (HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016: 2842, NbSr 2007/6, noot J.C. Dekkers).

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, in het bijzonder over het onderdeel dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen” van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed was.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 11 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 in Nederland, een Renault Twingo voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die Renault wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen 5 jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.”

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte (met bijlage) d.d. 30 april 2012, pag. 77-79, voor zover inhoudende als verklaring van Geradus Hermans, zakelijk weergegeven:

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe namens de eigenaar van de woning aangifte van inbraak en diefstal van zijn auto.

Op 29 april 2012 heb ik de woning in goede staat achter gelaten. Toen ik op 30 april 2012 weer bij de woning kwam zag ik dat de auto van de oprijlaan weg was. Dit was een Renault Twingo die is voorzien van het kenteken 33-BV-12. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Hof: uit de bij de aangifte gevoegde bijlage weggenomen goederen (dossierpagina 80) blijkt dat het navolgende voertuig is weggenomen:

Bijlage weggenomen goederen

Voertuig: Personenauto

Merk/Type: Renault Twingo

Kleur: Blauw

Kenteken: 33-BV-12

Chassisnummer: 39763975.

2. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 3 september 2012, pag. 86-87, voor zover inhoudende als verklaring van getuige Sandra Roelofsen, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaresse van een blauw/grijs kleurige Renault Twingo met kenteken GS-14-56.

Op 11 juli 2012 stond ik met mijn auto bij het tankstation Shell aan de Gestelseweg. Ik stond bij pomp 6. Links van mij, bij pomp 8, kwam een auto staan. Deze auto viel mij op omdat deze dezelfde kleur had als mijn auto. Ik zag dat de auto ook hetzelfde kenteken had als mijn auto. Ik zag dat hij volledig overeen kwam met mijn auto, zowel het type en merk als de kleur en het kenteken kwamen overeen. Ik zag dat er een man uit de auto stapte. Ik sprak de man aan over het feit dat onze auto’s exact overeen kwamen. Ik zei dat ik er werk van zou maken en de politie zou bellen. Ik hoorde dat de man zei dat hij daar niet op zou wachten. Ik zei dat ik wel wilde weten wie hij was. Ik hoorde dat hij zei dat hij ging betalen voor het tanken en dat hij een briefje zou schrijven met zijn naam en adres. Ik zag op het briefje het volgende staan: ‘Karel van Doorn, Vughterweg 324 in ’s-Hertogenbosch’.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten Pieter Dekkers en Gert van Duijn, beiden hoofdagent van politie, d.d. 18 januari 2013, pag. 85, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 juli 2012 kregen wij een melding om te gaan naar het benzinestation Shell gelegen aan de Gestelseweg 1 te ’s-Hertogenbosch. Op 11 juli 2012 spraken wij met de meldster op bovengenoemde locatie. Wij hoorden dat zij stond te tanken met haar voertuig een Renault Twingo voorzien van het kenteken GS-14-56. Wij hoorden dat zij vertelde dat links van haar een gelijkend voertuig kwam te staan. Wij hoorden dat zij zei dat het voertuig, het type, de kleur en het kenteken overeen kwamen met het voertuig van haarzelf. Het tankstation is voorzien van camerabeveiliging. Wij verbalisanten bekeken de camerabeelden. Wij zagen dat er inderdaad twee identieke voertuigen op bovengenoemde datum naast elkaar stonden. Wij zagen bij pomp 8 een Renault Twingo voorzien van het kenteken GS-14-56. Wij zagen een man met een fors postuur van ongeveer 52 jaar oud uit het voertuig stappen en later weer in het voertuig stappen. Deze man is later door diverse collega’s herkend als Henk Z. geboren op 30 april 1957.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Johan de Wit, hoofdagent van politie, d.d. 16 januari 2013, pag. 88-90, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 24 juli 2012 reden wij, Johan de Wit en Clara Harmsen, over het Klokkediep in de richting van de Klokkenlaan te ’s-Hertogenbosch. Ik, verbalisant Johan de Wit, zag aan de rechterzijde van de straat een personenauto, merk Renault type Twingo kleur grijs/blauw en voorzien van het kenteken TP-56-78 geparkeerd staan. Ik, verbalisant Johan de Wit, keek naar de kentekenplaten. Ik zag dat de kentekenplaten niet voorzien waren van de vereiste echtheidskenmerken. Ik zag dat achter de voorruit het chassisnummer 39763975 zichtbaar was. Volgens informatie, ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, was dit chassisnummer afgegeven voor een personenauto, merk Renault, type Twingo, kleur blauw en voorzien van het kenteken 33-BV-12, welk voertuig sinds 30 april 2012 als gestolen stond gesignaleerd. Wij, Johan de Wit en Clara Harmsen, namen de personenauto, merk Renault, type Twingo en voorzien van de valse kentekenplaten TP-56-78 in beslag voor nader onderzoek.

Het was mij bekend dat er half juli 2012 door de eigenaresse van een grijs/blauwe Renault Twingo voorzien van het kenteken GS-14-56 bij de politie ’s-Hertogenbosch een melding was gedaan dat zij bij een tankstation aan de Gestelseweg te ’s-Hertogenbosch eenzelfde grijs/blauwe Renault Twingo had gezien welke dezelfde kentekenplaten voerde.

Op 14 augustus 2012 zag ik fotografische opnames van de man die met eenzelfde blauwe Renault Twingo bij het tankstation kwam. Ik herkende op deze fotografische opnames Henk Z., geboren op 30 april 1957.

5. Een proces-verbaal sporenonderzoek van verbalisanten Frederik Martens, BOA en Jean de Ridder, hoofdagent van politie, d.d. 31 juli 2012, pag. 114-119, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 25 juli 2012 werd door ons forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met het aantreffen signaleerbaar voertuig.

Het te onderzoeken voertuig voldeed aan de volgende omschrijving:

Soort voertuig: Personenauto 3-deurs,

Merk: Renault

Type: Twingo

Kleur: blauw

Kenteken: TP-56-78

Chassisnummer: 39763975

In het dashboardkastje werden door ons twee identieke portofoons aangetroffen, welke werden bemonsterd in verband met mogelijk aanwezigheid van biologische sporen. Deze monsters werden gewaarmerkt met respectievelijk SIN AACV9227NL en SIN AACV9228NL.

Biologische sporen:

SIN: AACV9228NL

Soort: speeksel.

6. Een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 4° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 30 augustus 2012, met bijlage, opgemaakt door ing. A.P.M. van Dijk, pag. 125-127, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gegevens sporenmateriaal: AACV9228NL

Van het DNA in het sporenmateriaal AACV9228NL#01 is een DNA-profiel verkregen dat op 24 augustus 2012 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden.

Analyse van het identiteitszegel AACV9228NL levert een DNA-profiel op dat overeenkomt met het DNA-profiel van Henk Z. (geboren op 30 april 1957), opgenomen in de DNA-databank onder DNA-profielcluster nummer 1789. Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AACV9228NL#01, uit DNA DNA-profielkluster 1789 kan afkomstig zijn van Henk Z. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

7. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte Henk Z., geboren op 30 april 1957 te ’s-Hertogenbosch, d.d. 3 oktober 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum beslissing: 12 oktober 2010 Politierechter Haarlem

Feit 1: art 310, art 311 lid 1 ahf/sub 4

en 5 Wetboek van Strafrecht

Kwalificatie: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Status: Onherroepelijk 27 oktober 2010

Beslissing: 3 maanden gevangenisstraf.”

3.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Door de raadsman is aangevoerd dat het enkele aantreffen van verdachte in een auto die achteraf van diefstal afkomstig blijkt te zijn, onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat in casu geen aanwijzingen c.q. indicaties te vinden zijn dat de Renault Twingo op het oog (geen braakschade en de aanwezigheid van de contactsleutel) van diefstal afkomstig was. De raadsman heeft mitsdien verzocht om verdachte vrij te spreken van de onder 1 ten laste gelegde opzet- c.q. schuldheling van de Renault Twingo.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Op 30 april 2012 werd namens de benadeelde Fons Starremans aangifte gedaan van diefstal van een blauwe Renault Twingo met het kenteken 33-BV-12, welke auto tussen 29 en 30 april 2012 werd weggenomen bij een woninginbraak te Steenbergen. Op 11 juli 2012 zag getuige Sandra Roelofsen, die eigenaresse is van een blauw/grijze Renault Twingo met het kenteken GS-14-56, bij een tankstation aan de Gestelseweg te ’s-Hertogenbosch dat naast haar auto, een identieke Renault Twingo stond met een kenteken dat volledig overeenkwam met het kenteken van haar auto. Door de politie werden de camerabeelden van 11 juli 2012 van voornoemd tankstation uitgekeken. Aan de hand van deze camerabeelden herkenden verbalisanten de verdachte als de persoon die in en uit deze Renault Twingo stapte. Uit de verklaring van getuige Sandra Roelofsen bleek dat verdachte, nadat hij door haar werd aangesproken met onder andere de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten totdat de politie arriveerde en als bestuurder wegreed. Later bleek dat verdachte een valse naam en adres aan getuige Sandra Roelofsen had opgegeven.

Op 24 juli 2012 werd door verbalisanten Johan de Wit en Clara Harmsen een grijs/blauwe Renault Twingo op de locatie Klokkediep te ’s-Hertogenbosch aangetroffen.

Verbalisant Johan de Wit constateerde dat op deze auto valse kentekenplaten waren aangebracht; dit keer met het kenteken TP-56-78. Nadat het chassisnummer door verbalisant Johan de Wit was gecontroleerd, bleek het te gaan om de Renault Twingo die tussen 29 en 30 april 2012 was gestolen in Steenbergen. Hierop werd de auto in beslag genomen. In het dashboardkastje van deze Renault Twingo werd een portofoon aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen. Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut bleek dat het DNA-profiel van het aangetroffen spoor matchte met het DNA-profiel van de verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard, ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard.

Het bezit van de gestolen auto door verdachte, onder de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, terwijl niet is gebleken dat verdachte rechtmatig over deze auto beschikte, voert het hof tot de conclusie dat de verdachte bij het voorhanden krijgen van die Renault Twingo heeft geweten dat deze auto afkomstig was uit enig misdrijf. Zou dit anders zijn geweest, dan had het onder de gegeven omstandigheden op de weg van de verdachte gelegen een aannemelijke verklaring omtrent de rechtmatige verkrijging van die auto te geven. De verdachte is evenwel in gebreke gebleven een dergelijke verklaring te geven.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Renault Twingo. Het verweer wordt verworpen.”

 

3.3. Het Hof heeft in weerwil van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is bepleit, bewezen geacht dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring vermelde auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het heeft blijkens de bewijsvoering bij dit oordeel betrokken (i) de omstandigheden waaronder de verdachte op 11 en 24 juli 2012 de auto kennelijk in zijn bezit had, (ii) dat niet is gebleken dat de verdachte rechtmatig over de auto beschikte, (iii) dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent de rechtmatige verkrijging van de auto, alsmede (iv) dat de verdachte toen hij op 11 juli 2012 als bestuurder van de van een vals kenteken voorziene auto door getuige Sandra Roelofsen werd aangesproken met de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten totdat de politie arriveerde, een valse naam en adres opgaf en als bestuurder wegreed. Aldus heeft het Hof, mede gelet op hetgeen onder 2.3.1 is vooropgesteld, uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen” van de in de bewezenverklaring vermelde Renault Twingo “wist” dat deze auto afkomstig was uit enig misdrijf.

3.4. Het middel faalt.

Noot

Inleiding

In een nieuw overzichtsarrest van de Hoge Raad worden algemene beschouwingen gegeven over (de bewezenverklaring en kwalificatie van) diverse vermogensdelicten. In gevallen waarin de bewijsmiddelen met name duiden op het voorhanden hebben van een voorwerp, kort nadat met betrekking tot dit voorwerp een vermogensdelict is gepleegd, rijst de vraag of de verdachte zelf dat vermogensdelict heeft gepleegd, dan wel of hij nadien daarbij (ook) op een strafbare wijze betrokken is geweest. De Hoge Raad gaat meer specifiek en met verwijzing naar eerdere uitspraken in op 1) de bewezenverklaring van diefstal, 2) de bewezenverklaring van heling en de zogenaamde heler-steler-regel en 3) de bewijs- en motiveringseisen aangaande de witwasbepalingen voor de gevallen waarin sprake is van een goed dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf en de kwalificatie-uitsluitingsgrond voor bepaalde witwashandelingen.

 

Diefstal

Met betrekking tot het vermogensdelict diefstal kunnen diverse bewijstechnische vragen rijzen. De Hoge Raad voorziet in beantwoording aan de hand van eerdere uitspraken door te herhalen dat aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Daarvoor is dus ‘meer nodig’, waarbij volgens de Hoge Raad belang moet worden gehecht aan de feiten en omstandigheden van het geval en waarbij een rol speelt de aanwezigheid van een aannemelijke verklaring van de verdachte omtrent dat aanwezig hebben. Het inroepen van het zwijgrecht kan op zichzelf niet bijdragen aan het bewijs, maar dat sluit niet uit dat de rechter in zijn overwegingen mag betrekken dat de verdachte voor een dergelijke omstandigheid – als het voorhanden hebben van een voorwerp – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De rechter zal daar overigens niet te snel toe moeten overgaan, zie nader: EHRM 8 februari 1996, appl.no. 18731/91 (Murray t. Verenigd Koninkrijk), EHRM 20 maart 2001, appl.no. 33501/96 (Telfner t. Oostenrijk) en EHRM 18 maart 2010, appl.no. 13201/05 (Krumpholz t. Oostenrijk); op nationaal niveau: HR 19 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0413, NJ 1996, 540.

 

Heling

Om te voorkomen dat de steler van een goed onnodig dubbel wordt gestraft voor diefstal en het – inherent daaraan – verwerven of voorhanden hebben van dat goed, is in de jurisprudentie de zogenaamde heler-steler-regel in het leven geroepen. Indien iemand een helingshandeling verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als (mede)pleger door enig misdrijf heeft verkregen, staat dit aan de kwalificatie heling in de weg, maar slechts als dit voldoende concreet is aangevoerd en/of uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt. De Hoge Raad herhaalt dat kwalificatie heling tevens is uitgesloten als de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsvoering dwingt tot de gevolgtrekking dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Indien een ander scenario ook mogelijk is, heeft de rechter de mogelijkheid om tot het feitelijke oordeel te komen dat niet aannemelijk is geworden dat het de verdachte zelf is geweest die als (mede)pleger het voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Dat oordeel zal volgens de Hoge Raad in cassatie niet snel onbegrijpelijk worden geoordeeld.

Voorts overweegt de Hoge Raad meer in het algemeen omtrent heling – en waar het overigens in de zaak die aanleiding gaf tot het overzichtsarrest concreet om draaide – dat voor een bewezenverklaring moet worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof. Ook hieromtrent kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.

 

Witwassen

De strafbaarstelling van (schuld)witwassen kent een groot bereik. Voor de artikelen 420bis en 420quater Sr geldt de heler-steler-regel echter niet. De reikwijdte van de strafbaarstelling van (schuld)witwassen is wel in de afgelopen jaren beperkt: als een verdachte een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, moet uit de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen, kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (onder omstandigheden geldt de beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling ook ten aanzien van de witwasgedragingen overdragen, gebruikmaken of omzetten: HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NbSr 2014/127, r.o. 2.4.1-2.4.2). Als dat niet blijkt, kan het feit niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd en zal verdachte dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (in enkele gevallen zijn verdachten overigens vrijgesproken, zie bijvoorbeeld: HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014, 305. Vrijspraak in dezen lijkt mij dogmatisch gezien onjuist).

Met de kwalificatie-uitsluitingsgrond worden – kortweg – twee doelen gerealiseerd. Ten eerste wordt automatische dubbele bestraffing voorkomen en ten tweede wordt bevorderd dat het grondmisdrijf centraal staat in de vervolging (zie nader: F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen. Een onderzoek naar de reikwijdte en de toepassing van artikel 420bis Sr (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2016, p. 102 e.v.).

De wetgever heeft erop ‘gereageerd’ door een nieuw strafbaar feit in het leven te roepen, waarvoor de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet kan gelden: eenvoudig (schuld)witwassen (Stb. 2016, 313). Met invoering van de artikelen 420bis.1 en 420quater.1 Sr wordt voorkomen dat het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen, in het geval het om een door de dader zelf gepleegd misdrijf gaat, straffeloos blijft. In het verlengde daarvan wordt voorkomen dat verbeurdverklaring onmogelijk is, wanneer vervolging wegens het grondmisdrijf niet mogelijk of niet aangewezen is. Misdaad mag immers niet lonen (zie voor de vraag in hoeverre wordt tegemoetgekomen aan de ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en het te beschermen rechtsgoed o.a.: S.S. Arendse, ‘Een nieuwe loot aan de stam: de strafbaarstelling van ‘eenvoudig’ witwassen’, AA 2017, afl. 2, p. 141-142; D.E. Hooydonk, ‘Eenvoudig witwassen: was het maar zo eenvoudig’, TBS&H 2017, afl. 1, p. 6-10 en M.J. Borgers & T. Kooijmans, ‘Van probleem naar oplossing en weer terug: het conceptwetsvoorstel aanpassing witwaswetgeving’, DD 2015, afl. 8, par. 3.1). Enige bescherming tegen dubbele bestraffing zou kunnen worden gerealiseerd op de voet vanhet beginsel van ne bis in idem (zie daaromtrent nader: S.S. Buisman, ‘Eenvoudig witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf en ne bis in idem’, TPWS 2016/32).

Ter afsluiting

De zaak op basis waarvan de Hoge Raad de algemene beschouwingen heeft gegeven (zie overigens ook HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644) gaf geen aanleiding tot nieuwe inzichten in de jurisprudentie omtrent de verschillende vermogensdelicten: in die zin dus niets nieuws onder de zon. Wel kan worden gezegd dat de Hoge Raad inzichtelijk heeft gemaakt hoe dergelijke zaken behandeld (zullen) worden en daarmee heeft hij de praktijk de nodige handvatten geboden. In die exercitie is als neveneffect inzichtelijk geworden dat het moment van wetenschap bij de verdachte, dat sprake is van een goed dat afkomstig is uit enig misdrijf, van betekenis is voor de keuze welk strafbaar feit kan worden ten laste gelegd (zie daaromtrent – en in relatie met het leerstuk van samenloop – ook nader het overzichtsarrest van de Hoge Raad omtrent eenvoudig (schuld)witwassen, HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NbSr 2017/6, m.nt. J.C. Dekkers, J.S. Nan, ‘Kroniek van het straf(proces)recht’, NJB 2016, 740 en (de noot van Mevis bij) HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501, NJ 2017, 169).

mr. S.R. Bakker

Verder lezen
Terug naar overzicht