Onroerend-goedlichaam en fraus legis


Wet BRV

De Hoge Raad heef in het arrest van 10 juli 2009 (nr. 43.363) geoordeeld dat Hof Amsterdam terecht tot de conclusie is gekomen dat doel en strekking van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zou worden miskend indien ter zake van de verkrijging van aandelen in een Beheer bv geen overdrachtsbelasting zou worden geheven.

De casus was als volgt: Belanghebbende had op 31 mei 1999 een bod uitgebracht op de aandelen van Beheer bv, welke bv op dat moment kwalificeerde als onroerend goedlichaam in de zin van art. 4 Wet BRV. Op 17 juni 1999 kwamen belanghebbende en Beheer bv tot overeenstemming omtrent de koop. Op 25 augustus 1999 heeft Beheer bv dochtervennootschap Vastgoed bv opgericht en al haar vastgoed overgedragen, waarna Beheer bv op grond van de toenmalige wetgeving niet langer kwalificeerde als onroerend goedlichaam (de zogenoemde dubbeldekker-structuur). Op 20 oktober 1999 zijn de aandelen Beheer bv door belanghebbende verkregen.

De Hoge Raad acht doorslaggevend dat al vóór de overdracht van het vastgoed door Beheer bv aan Vastgoed bv overeenstemming tussen belanghebbende en verkoper was bereikt omtrent de levering van de aandelen Beheer bv. Hiervan uitgaande heeft het hof terecht geconstateerd dat sprake is van fraus legis. Voorts is de Hoge Raad van mening dat geen sprake is van een zó voor de hand liggende ontgaansmogelijkheid dat de wetgever maatregelen had moeten nemen en dat het uitblijven van acties naar aanleiding van jurisprudentie evenmin aan een beroep op fraus legis in de weg staat. Mitsdien is de verkrijging van aandelen Beheer bv mitsdien belast met overdrachtsbelasting.

Verder lezen
Terug naar overzicht