Periode van naheffing bij 'terugnemen' taxivrijstelling is beperkt


Samenvatting

Aan belanghebbende, een taxiondernemer, is de taxivrijstelling verleend. Op grond van de bevindingen van een op 6 februari 2004 afgerond boekenonderzoek is geconstateerd dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van de taxivrijstelling. De inspecteur heeft over de tijdvakken 1 januari 1999 tot en met 7 juni 1999 en 8 juni 1999 tot en met 7 juni 2000 motorrijtuigenbelasting nageheven. Rechtbank Arnhem heeft de naheffingsaanslagen in stand gelaten. In appel houdt die beslissing echter geen stand. Volgens het hof kan op grond van art. 76 Wet MRB namelijk slechts worden nageheven over het tijdvak waarin het belastbare feit wordt geconstateerd – in casu 6 februari 2004 – en de drie daaraan voorafgaande tijdvakken van drie maanden. De wijziging per 1 oktober 2008 van art. 76 en 77 Wet MRB en art. 20 AWR doen daar niet af.

De naheffingsaanslagen, die zien op 1999 en 2000, worden vernietigd.

(Hoger beroep gegrond.)

Feiten

2.1. Belanghebbende dreef in de periode van 8 juni 1998 tot en met 7 juni 2000 een taxionderneming. Hij dreef de onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma samen met C. Aan de taxionderneming is door het Openbaar lichaam taxizaken Q (OLT-Q) een vergunning verleend voor het vervoer van personen tegen betaling als bedoeld in de Wet personenvervoer (hierna: het taxivervoer).

2.2. Voor het taxivervoer maakte belanghebbende gebruik van een Toyota Avensis met het kenteken AA-BB-00 (hierna: de Toyota). In het kentekenregister stond belanghebbende als houder van de Toyota ingeschreven. De Toyota behoorde niet tot het vermogen van de…

Verder lezen
Terug naar overzicht