Sign. - Geen bevoegdheid vordering andere schuldeiser te betwisten


De stichtingen stellen zich op het standpunt dat op grond van art. 119 fw aan individuele schuldeisers een zeer ruime bevoegdheid toekomt om de juistheid van een vordering van een andere schuldeiser te betwisten. in de omstandigheid dat de stichtingen – als op de lijst van erkende concurrente vorderingen van overige crediteuren voorkomende schuldeisers – bevoegd zijn de juistheid van de vordering te betwisten, ligt volgens hen besloten dat zij de hoogte daarvan mogen betwisten. Daaruit zou volgen dat tevens een eventuele onderlinge schuldverhouding tussen failliet (DSB Bank) en de andere schuldeiser (DNB) een grond voor betwisting door de stichtingen kan opleveren. De stichtingen menen dat van een wederzijds schuldenaarschap tussen DSB Bank en DNB sprake is. Daartoe hebben zij aangevoerd dat DNB tekort is geschoten in haar taak als toezichthouder op DSB Bank en daarom gehouden is om de schade die DSB Bank als gevolg daarvan heeft geleden, te vergoeden. De stichtingen erkennen dat zij geen beroep op verrekening kunnen doen en nemen met de curatoren ook zelf tot uitgangspunt dat het in de eerste plaats aan de curatoren is om al dan niet een dergelijke aanspraak op DNB namens (de boedel van) DSB Bank geldend te maken. Wanneer echter, zoals tot op heden in het faillissement van DSB Bank, de curatoren dat nalaten, biedt art. 119 fw volgens de stichtingen aan individuele schuldeisers de mogelijkheid om datzelfde te bewerkstelligen door de vordering te betwisten tot een bedrag gelijk aan het verschil tussen de onderlinge schuldposities. Deze ruime uitleg van de mogelijkheden die art. 119 fw zou bieden aan individuele schuldeisers om vorderingen van andere schuldeisers te betwisten, vindt geen steun in…

Verder lezen
Terug naar overzicht