Sign. - Kosten kunnen ongelijke behandeling ten aanzien van afvloeiingsvergoeding van
tijdelijke werknemers niet rechtvaardigen


Buckley was bij de National University Maynooth (NUIM) werkzaam op basis van (een tweede) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Voor haar functie ontving de universiteit een subsidie. NUIM gaf Buckley vóór het aflopen van haar arbeidsovereenkomst te kennen dat deze niet zou worden verlengd, omdat zij boventallig was geworden. Daarbij werd haar een afvloeiingsvergoeding aangeboden. Deze was volgens Buckley evenwel lager dan een werknemer werkzaam op basis van een contract van onbepaalde tijd zou hebben gekregen en daardoor discriminerend. Zij wees ter adstructie naar de afvloeiingsvergoeding die recentelijk was aangeboden aan de catering staff. De claim van Buckley werd in eerste aanleg toegewezen. In hoger beroep voerde de universiteit onder meer aan dat de catering staff boventallig was geworden door het afbranden van hun werkplek, derhalve een onverwachte en plotselinge omstandigheid, terwijl Buckley van het begin af aan heeft moeten weten dat de subsidie na haar onderzoek zou ophouden met verlies van haar baan als logisch gevolg. Onder deze omstandigheden zou de ongelijke behandeling gerechtvaardigd zijn geweest. Volgens de Labour Court stond vast dat de omstandigheden waaronder Buckley boventallig was geworden, afweken van die waaronder de catering staff boventallig was verklaard. NUIM had echter niet aangetoond hoe dit verschil de ongelijke behandeling zou kunnen rechtvaardigen. Het aanbieden van een lagere afvloeiingsvergoeding werd bovendien als passend noch noodzakelijk beschouwd. Verder overwoog de Labour Court dat, hoewel een werkgever gerechtigd is te streven naar het beperkt houden van de uitgaven, kosten nooit een objectieve rechtvaardiging kunnen opleveren voor het in stand houden van een ongelijke behandeling. Voor zover het betoog van NUIM erop neerkwam dat de rechtvaardiging is te vinden in de omstandigheid dat de…

Verder lezen
Terug naar overzicht