Sign. - Publicatie boete


Niet valt in te zien dat het stelsel van de Wft met betrekking tot openbaarmaking van boetebesluiten zich ertegen zou verzetten dat, in een situatie waarin de voorzieningenrechter van de rechtbank de openbaarmaking van het primaire boetebesluit heeft geschorst, zonder nadere termijnbepaling, openbaarmaking op grond van art. 1:97 Wft alsnog plaatsvindt nadat de getroffen voorlopige voorziening is vervallen. Nu bij de uitspraak de boete (grotendeels) in stand is gelaten, is de verplichting om tot openbaarmaking op grond van art. 1:97 Wft over te gaan, herleefd. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is dan ook onjuist en voor vernietiging van de beslissing op grond van art. 1:97 Wft bestond geen grond. Wat betreft de publicatie op grond van art. 1:98 Wft oordeelt het College dat pas een besluit kan worden genomen nadat de boete rechtens onaantastbaar is geworden. Die uitleg sluit aan bij de afweging die bij het nemen van een dergelijk besluit moet worden gemaakt inzake de uitzondering op de verplichting de boete op grond van art. 1:98 Wft openbaar te maken. Die afweging moet immers naar zijn aard plaatsvinden op basis van de relevante feiten en omstandigheden op het moment dat de boete openbaar wordt gemaakt; in het geval van art. 1:98 Wft dus nadat de boete rechtens onaantastbaar is geworden. Het voorgaande betekent dat, voor zover de AFM in het boetebesluit van 10 november 2009 en in de beslissing op bezwaar van 29 juli 2010 overwegingen heeft gewijd aan de openbaarmaking op grond van art. 1:98 Wft, deze moeten worden gezien als een aankondiging…

Verder lezen
Terug naar overzicht