Sign. - Werking concurrentiebeding tijdens faillissement


In geding is de vraag of sprake is van een zwaarwegend belang dat de werknemers ná faillissement aan het concurrentiebeding kunnen worden gehouden. De curator heeft onbetwist gesteld dat juist gedaagden X en Y zoveel kennis van de markt en de klanten hebben door de functies die zij bij failliet bekleedden op het moment van het faillissement, dat hij hetgeen hij met de koper van de onderneming van failliet is overeengekomen met voeten zou treden als hij zich jegens deze twee werknemers niet zou beroepen op de concurrentiebedingen. Bovendien hebben X en Y niet bestreden dat gedaagde Z heeft gesteld dat zijn bedrijf binnen een periode van twee jaar met de hulp en kennis van X en Y in de markt waar hij al concurrerend was, kan groeien tot de omvang van failliet. Omdat de curator een snelle doorstart heeft gerealiseerd en omdat onbetwist is dat X en Y bijzondere kennis hebben van de orderportefeuille en het klantenbestand van failliet, heeft de curator een voldoende zwaarwegend belang zich op de bedingen te beroepen. Dit geldt te meer, nu van de zijde van X en Y, afgezien van het belang dat zij hebben bij een inkomen op het niveau van hun salaris bij failliet om hun gezin te onderhouden en hun hypotheek te kunnen blijven betalen, geen enkel bijzonder of zwaarwegend persoonlijk belang is gesteld. Er is dan ook recht en belang om het beroep op de concurrentiebedingen te honoreren. Ook de vordering ten aanzien van Z kan worden toegewezen, nu hij er geen geheim van heeft gemaakt dat hij de kennis en ervaring van X en Y in zijn eigen bedrijf wilde inzetten om zijn concurrentiepositie te verbeteren. Door deze onverholen…

Verder lezen
Terug naar overzicht