Sign. - Zeggenschap


Het hof acht bewezen dat de meldingen in aandelentransacties als bedoeld in art. 2a Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 (oud) niet onverwijld zijn gedaan en dat dit door de verdachte opzettelijk is gebeurd. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar verantwoordelijk was, maar dat hem niets te verwijten viel. Hij meent dat hij op de groepsjuriste had moeten kunnen vertrouwen. Dat zij het uiteindelijk niet goed heeft gedaan zou hem niet kunnen worden aangerekend. Dit verweer kan de verdachte niet baten. Op de verdachte, als bestuurder van een beursgenoteerde onderneming, rust de op hem gelegde plicht zijn organisatie zo in te richten dat over de relevante kennis wordt beschikt ter zake de financiële toezichtwetgeving die geldt voor beursgenoteerde ondernemingen en op bestuurders en commissarissen daarvan in het bijzonder. Bovendien dient de verdachte zich in zijn hoedanigheid van bestuurder van een beursgenoteerde onderneming ook zelf ervan te vergewissen aan welke verplichtingen hij dient te voldoen als bestuurder. Dit geldt te meer nu op beursgenoteerde ondernemingen en op bestuurders en commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen verscheidene wettelijke meldingsverplichtingen rusten die alle ten doel hebben zorg te dragen voor een transparante markt en die (onverwijld) informatie moeten verschaffen voor beleggers om een verantwoordelijk oordeel te kunnen vormen over het vermogen en de resultaten van beursgenoteerde ondernemingen. Hierop moeten beleggers kunnen vertrouwen. De verdachte heeft, naar het oordeel van het hof, dit miskend door enerzijds de prioriteit op het onder nemerschap te leggen waardoor de wettelijke meldingsverplichtingen werden verwaarloosd en anderzijds er niet voor zorg te dragen dat werd beschikt over de relevante wetskennis, door middel van het in dienst nemen van gespecialiseerde juristen, of…

Verder lezen
Terug naar overzicht