USZ 2017/350, CRvB 08-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2062, 16/4721 AW (met annotatie van H.J. Simon)

Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht, Onschuldpresumptie, Strafrechtelijk onderzoek naar oneigenlijk gebruik tankpassen, Vrijspraak in strafzaak in hoger beroep, Beoordeling bestuursrechter plichtsverzuim staat los van beoordeling in strafproces, Ontslag wegens plichtverzuim terecht

Samenvatting

Essentie en samenvatting: Op basis van de in een strafrechtelijk onderzoek naar oneigenlijk gebruik van tankpassen verkregen gegevens is appellant in eerste aanleg veroordeeld wegens verduistering, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. De politierechter heeft bewezen geacht dat appellant ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van tankpassen van zijn onderdeel. Bij arrest van 10 februari 2016 is appellant in hoger beroep vrijgesproken, omdat het gerechtshof het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht. Bij besluit van 18 augustus 2015, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 3 november 2015, is aan appellant wegens plichtverzuim de straf van ontslag opgelegd. Bij uitspraak van 14 juni 2016 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de minister op grond van deugdelijk vastgestelde feiten tot de overtuiging heeft kunnen komen dat de (drie) tankbeurten door appellant zijn verricht, dat hij daarmee oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van tankpassen en dat hij zich daardoor heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim is appellant toe te rekenen en de opgelegde straf is niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de minister niet op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens tot de overtuiging heeft kunnen komen dat hij de tankbeurten heeft verricht. Hij heeft zich daarbij beroepen op de vrijspraak in de strafprocedure. Appellant heeft verder gewezen op het oordeel van het UWV op zijn aanvraag om een werkloosheidsuitkering.

Volgens de Raad is voor de constatering van plichtsverzuim noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het gegeven dat appellant door de strafrechter wegens gebrek aan bewijs is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde betekent niet dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven. De bestuursrechter beoordeelt de merites van het door de minister gestelde plichtsverzuim van appellant in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen. In casu is de Raad tot de overtuiging gekomen dat appellant de hem verweten drie tankbeurten heeft verricht. Aan de verklaringen van de vader en broer van appellant hecht de Raad geen bewijswaarde. Ook het oordeel van het UWV leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Het beroep dat appellant in het kader van de straftoemeting heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel faalt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

Uitspraak

Procesverloop

Namens appellant heeft mr. E.J.W. Schuijlenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schuijlenburg. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

Overwegingen

1.1 Appellant was als burgerambtenaar werkzaam bij de sectie [naam sectie] van [defensieonderdeel] van het ministerie van Defensie.

1.2 Naar aanleiding van een onderzoek bij [defensieonderdeel] naar oneigenlijk gebruik van [tankpassen] (tankpassen) is het vermoeden gerezen dat twee medewerkers van [defensieonderdeel], waaronder appellant, bij ongeveer 75 tankbeurten in 2011 en 28 in 2012, misbruik hebben gemaakt van bij [defensieonderdeel] in beheer zijnde tankpassen. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) heeft een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer appellant ingesteld.

1.3 In dit onderzoek zijn rekeningoverzichten van de betaalrekening van appellant strafrechtelijk gevorderd. Vervolgens zijn de tankbeurten vergeleken met de rekeningoverzichten, in het bijzonder de zogenoemde kleine pintransacties, variërend van € 4,25 tot € 6,15 en éénmaal een bedrag van € 13,35, als betaling van versnaperingen. Daaruit is – onder meer – gebleken dat op zaterdag 7 mei 2011 om 20.52 uur met één van de genoemde tankpassen is getankt bij [tankstation 1] te [woonplaats] en dat appellant twee minuten later, om 20.54 uur, bij hetzelfde tankstation een aankoop heeft gepind van € 4,40. Op zondag 10 juli 2011 heeft er om 22.44 uur een tankbeurt plaatsgehad bij [tankstation 2], terwijl appellant op diezelfde zondagavond om 22.52 uur bij [tankstation 3] een aankoop van € 4,40 heeft gepind. Tot slot is er bij [tankstation 1] [woonplaats] op zondag 15 april 2012 om 14.14 uur met één van de genoemde tankpassen getankt, terwijl appellant één minuut later, om 14.15 uur bij datzelfde tankstation een aankoop van € 5,90 heeft gepind.

1.4 Op 5 maart 2015 is appellant door de politierechter van de rechtbank Den Haag veroordeeld wegens verduistering, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. De politierechter heeft bewezen geacht dat appellant op 7 mei 2011, 10 juli 2011 en 15 april 2012 ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van tankpassen van [defensieonderdeel]. Appellant is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en het betalen van een schadevergoeding van € 139,36. Bij arrest van 10 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag appellant in hoger beroep vrijgesproken, omdat het gerechtshof het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht.

1.5 De andere medewerker, [A], heeft twee tankbeurten bekend en is eveneens op 5 maart 2015 door de politierechter van de rechtbank Den Haag veroordeeld tot – uiteindelijk – een geldboete van € 300,= en een schadevergoeding van € 74,=.

1.6 Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze had gegeven, heeft de minister bij besluit van 18 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit), aan appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de minister op grond van deugdelijk vastgestelde feiten tot de overtuiging heeft kunnen komen dat de tankbeurten op 7 mei 2011, 10 juli 2011 en 15 april 2012 door appellant zijn verricht, dat hij daarmee oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van tankpassen en dat hij zich dan ook schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim is volgens de rechtbank aan appellant toe te rekenen en de opgelegde straf wordt niet onevenredig geacht aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft allereerst betoogd dat de minister niet op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens tot de overtuiging heeft kunnen komen dat hij de verweten tankbeurten heeft verricht. Appellant heeft zich daarbij beroepen op de strafrechtelijke vrijspraak in hoger beroep. Verder heeft hij gewezen op het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn WW-aanvraag. Het Uwv acht niet bewezen dat appellant de tankbeurt op 10 juli 2011 heeft gedaan gezien enerzijds de afstand en anderzijds de verstreken tijd tussen de tankbeurt bij [tankstation 2] en de pintransactie bij [tankstation 3]. Verder is het Uwv van oordeel dat appellant met een tweetal schriftelijke getuigenverklaringen heeft aangetoond ook niet op de twee andere data te hebben getankt met de tankpassen van [defensieonderdeel]. Tot slot heeft appellant zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Collega [A] is slechts schriftelijk berispt, omdat hij direct spijt heeft betuigd. Dat maakt volgens appellant geen wezenlijk verschil als het gaat om het zich gedragen als goed ambtenaar en om het in de ambtenaar te stellen vertrouwen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het plichtsverzuim

4.1 Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het gegeven dat appellant door de strafrechter wegens gebrek aan bewijs is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde betekent volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0297) niet dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven. De bestuursrechter beoordeelt de merites van het door de minister gestelde plichtsverzuim van appellant in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen.

4.2 Net als de rechtbank komt ook de Raad tot de overtuiging dat appellant het hem verweten drietal tankbeurten heeft verricht. Gezien de korte tijd (één of twee minuten waar het de tankbeurten van 7 mei 2011 en 15 april 2012 betreft) tussen de aankoop die appellant met zijn eigen bankpas heeft gepind en de betaling van de tankbeurt met een tankpas van [defensieonderdeel] is het onwaarschijnlijk dat een collega juist ook bij hetzelfde tankstation de frauduleuze tankbeurt heeft gedaan en dat de gelijktijdige aanwezigheid van appellant, zoals hij heeft betoogd, berust op toeval. De Raad stelt vast dat alle genoemde tankstations (zie 1.3) zijn gesitueerd in de woonomgeving van appellant; in zoverre ligt het ook niet voor de hand dat collega’s daar tanken. De Raad acht het verder ongeloofwaardig dat appellant in die situatie de betrokken collega niet zou hebben gezien, zoals hij heeft verklaard. Eveneens ongeloofwaardig acht de Raad de verklaring van appellant dat hij tankbeurten voor zijn eigen auto altijd contant betaalt, terwijl hij de kleine aankopen (versnaperingen en shag) tegelijkertijd niet ook contant betaalt maar pint, wat immers een nodeloos omslachtige manier van betalen oplevert. Ten aanzien van de tankbeurt van 10 juli 2011 overweegt de Raad nog dat het gezien de afstand tussen beide tankstations en de tijdstippen van betalen zeer wel mogelijk is dat appellant beide transacties heeft verricht, anders dan hij heeft betoogd. Die afstand is op een zondagavond rond elf uur in vier tot zes minuten af te leggen. Het is niet aannemelijk dat alleen het afrekenen al minuten vergt vanwege “in de rij bij de kassa wachten en uiteindelijk pinnen” zoals appellant heeft gesteld. Dat er geen camerabeelden zijn – of ander direct bewijs is – die zijn aanwezigheid bij de tankbeurt van 10 juli 2011 bevestigen, doet aan de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van appellant niet af. De rechtbank heeft terecht geen bewijswaarde gehecht aan de schriftelijke verklaringen van de vader en broer van appellant, enerzijds gezien de familierelatie en anderzijds omdat deze verklaringen niet uitsluiten dat er onderweg is gestopt om te tanken. Het oordeel van het Uwv ten slotte, tot stand gekomen bij de toetsing van de verwijtbare werkloosheid in het kader van de Werkloosheidswet, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Het onderscheid in straftoemeting

4.3 Appellant heeft betoogd dat het ontslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dit betoog slaagt niet. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Het plichtsverzuim bij [A] omvat twee tankbeurten terwijl dat er bij appellant drie zijn. Daar komt bij dat [A] meteen opening van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de minister geen redelijk onderscheid in de straftoemeting heeft gemaakt.

4.4 Appellant heeft voor het overige geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim is. De Raad neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijn.

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Noot

1. In art. 6 lid 2 EVRM is neergelegd dat een ieder tegen wie een ‘vervolging’ is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan (de onschuldpresumptie). In het licht van de tekst van deze bepaling gaat het hierbij primair om een procedurele waarborg in de context van een strafprocedure (‘criminal charge’). Onder deze waarborg in de context van het strafproces zelf vallen ook premature uitlatingen over de ‘schuld’ van de verdachte door overheidsfunctionarissen buiten het kader van de strafprocedure. Daarmee kan de onschuldpresumptie ook voor het bestuursrecht van belang zijn. Voor een schending van deze waarborg is geen formele vaststelling van schuld vereist. De onschuldpresumptie brengt in deze situatie mee dat overheidsfunctionarissen zich onthouden van uitlatingen, die, expliciet of impliciet, de strafrechtelijke schuld van betrokkene kunnen suggereren. Volgens het hof (EHRM 28 maart 2017, nr. 45028/07, ECLI:CE:ECHR:2017:0328JUD004502807, r.o. 42, «JB» 2017/132, m.nt. H.J. Simon) sluit de onschuldpresumptie, bezien in het licht van de algemene verplichting van een ‘fair trial’ onder art. 6 lid 1 EVRM, uit dat ‘schuld’ wordt vastgesteld buiten het kader van een ‘strafprocedure’ door de in die strafprocedure bevoegde rechter. Daarbij merkt het hof nog op dat deze verplichting a fortiori geldt voor andere gerechten dan het gerecht dat oordeelt over de ‘criminal charge’. Dit aspect van de onschuldpresumptie is van belang voor elk bestuursrechtelijk traject, dat ziet op (ook) strafrechtelijk relevante feiten, terwijl de strafrechter zich in een (eventuele) strafprocedure over de schuld van betrokkene nog niet (onherroepelijk) heeft uitgesproken. Nu de in de socialeverzekeringswetgeving relevante feiten nagenoeg steeds tevens beboetbare, of anderszins strafrechtelijk relevante, feiten zijn, waarvoor de onschuldpresumptie geldt, is het belang van het hier besproken aspect van de onschuldpresumptie voor dit rechtsgebied evident.

2. Het hier geannoteerde arrest van het hof betreft de situatie dat de strafrechter (reeds) onherroepelijk uitspraak heeft gedaan. In die situatie dient betrokkene door de overheid te worden behandeld op een wijze die consistent is met de vastgestelde onschuld. Een ‘acquittal’ in het strafrechtelijk traject brengt dan mee dat ‘vis à vis the criminal offence’ de onschuld van de (voormalige) verdachte niet in twijfel wordt getrokken. Deze verplichting geldt in het bijzonder voor op de strafprocedure volgende niet-strafrechtelijke procedures. Ook het bekende arrest Melo Tadeu (EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510) ziet op een dergelijke situatie. De in dit nummer opgenomen uitspraak van de CRvB van 8 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2062, «USZ» 2017/350, betreft een mengvorm. Het besluit in primo (een strafontslag) en in bezwaar zijn genomen hangende de strafrechtelijke procedure, waarna, hangende de procedure in eerste aanleg, onherroepelijk uitspraak is gedaan in de strafzaak. Nu in eerste aanleg het besluit in bezwaar voorligt en ten tijde van het nemen van dit besluit de strafprocedure nog liep, gaat het in deze zaak mijns inziens om het eerste aspect van de onschuldpresumptie (vgl. EHRM 28 maart 2017, t.a.p., r.o. 44).

3. Als voorwaarde voor de toepasselijkheid van de onschuldpresumptie in de posterieure procedure geldt in alle gevallen dat betrokkene het bestaan aantoont van een ‘link’ tussen de onderscheiden procedures. A-G Niesen (ECLI:NL:PHR:2017:784) merkt hierover, onder verwijzing naar de rechtspraak van het hof, op: “Die ‘link’ kan onder meer zijn gelegen in de aard en context van de procedure, in de nationale wetgeving en de door de rechter gebruikte bewoordingen. Het hof noemt als voorbeeld de gevallen waarin een latere procedure een (her)beoordeling vergt van het bewijs of de uitkomst van de strafprocedure en de deelname van de gewezen verdachte aan de gebeurtenissen of doordat de door de rechter in deze procedure gebruikte bewoordingen daartoe aanleiding geven.” In Melo Tadeu/Portugal, t.a.p., waar het ging om de persoonlijke aansprakelijkheid van betrokkene voor door de vennootschap onbetaald gelaten belastingschulden, bestond de ‘link’ uit het vermeende feitelijk bestuurder zijn van de vennootschap door Melo Tadeu en haar vermeende (fiscaal- en strafrechtelijke) aansprakelijkheid voor die belastingschulden. In het hier besproken arrest, waar het ging om een disciplinair ontslag op grond van feiten waarover de strafrechter had geoordeeld tot een ‘full aquittal’, merkt het hof op dat niet in geschil is dat het ontslag van betrokkene direct in verband stond met de feiten die hebben geleid tot de strafrechtelijke procedure. Het gegeven dat het arbeidsgerecht het strafrechtelijk dossier heeft onderzocht en zijn motivering tot op grote hoogte heeft gebaseerd op de inhoud van dat dossier is voor het hof voldoende om de conclusie te trekken dat er een sterke band bestaat tussen de strafrechtelijke en de in casu aan de orde zijnde arbeidsrechtelijke procedure. Hetzelfde geldt voor de verderop in dit nummer opgenomen uitspraak van de CRvB van 8 juni 2017, t.a.p. Ook in die zaak kan mijns inziens worden aangenomen dat er sprake is van een ‘link’ als vereist in de rechtspraak van het hof voor de toepasselijkheid van de onschuldpresumptie in het bestuursrechtelijk traject.

4. Is vastgesteld dat er sprake is van een ‘link’ tussen de onderscheiden procedures, dan is vervolgens de vraag of in de niet-strafrechtelijke procedure een schending heeft plaatsgevonden van art. 6 lid 2 EVRM. Bij die toetsing is uitgangspunt: “dans le cadre de l’article 6 § 2 de la Convention, le dispositif d’un jugement d’acquittement doit être respecté par toute autorité qui se prononce de manière directe ou incidente sur la responsabilité pénale de l’intéressé” (Melo Tadeu/Portugal, t.a.p., r.o. 60). Een belangrijke vraag in dat verband is of de aard van het strafrechtelijke ‘acquittement’ nog een rol speelt. Uit EHRM 28 maart 2017, t.a.p., r.o. 52, blijkt dat “it is neither the purpose nor the effect of the provisions of Article 6 § 2 to prevent the authorities vested with disciplinary power from imposing sanctions on a civil servant for acts with which he has been charged in criminal proceedings, where such misconduct has been duly established” [cursivering HJS]. Vgl. ook EHRM 13 september 2007, nr. 27521/04, ECLI:CE:ECHR:2002:0326JUD004448598 (Moullet/Frankrijk), waar het ging om deugdelijk vastgestelde feiten die verjaard waren. In die situatie was het hof (zelfs) van oordeel dat er geen sprake was van een voldoende ‘link’ tussen de onderscheiden procedures. Zie echter r.o. 32 van het onderhavige arrest, waar het hof de mogelijkheid open houdt dat deugdelijk vastgesteld, maar strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, in de bestuursrechtelijke procedure niet toelaatbaar zijn kan. Hierop kom ik terug onder punt 8 van deze noot.

5. Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een schending van de onschuldpresumptie in het bestuursrechtelijk traject is primair van belang dat de bestuursrechtelijke autoriteit er blijk van geeft dat hij kennis heeft genomen van het strafrechtelijk ‘acquittement’ en de gronden waarop dit rust. Luidt het oordeel dat de overwegingen en het oordeel van de strafrechter niet in de weg staan aan een contraire bestuursrechtelijke beslissing, dan is een deugdelijke motivering vereist waarom deze conclusie niet in strijd komt met de onschuldpresumptie. Met een overweging als (CRvB 8 juni 2017, t.a.p.): “De bestuursrechter beoordeelt de merites van het door de minister gestelde plichtsverzuim van appellant in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen”, kan naar mijn stellige overtuiging niet aan deze verplichting worden voldaan. De belastingrechter heeft in het verleden vergelijkbare overwegingen gehanteerd, maar met HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:673 (zie ook de in 3 genoemde conclusie van A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2017:784) en, nog duidelijker, het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958, «JB» 2017/133, m.nt. H.J. Simon, lijkt de belastingrechter hiervan te zijn teruggekomen.

6. Voor een antwoord ten gronde op de vraag naar de betekenis van de onschuldpresumptie in het bestuursrechtelijk traject dient primair te worden gekeken naar aard en de context van de procedure waarin de bestreden uitspraak is gedaan (EHRM 28 maart 2017, t.a.p., r.o. 42). Vgl. EHRM 12 juli 2013 (GC), nr. 25424/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, r.o. 125 (Allen/VK): “there is no single approach to ascertaining the circumstances in which that Article [6 lid 2] will be violated in the context of proceedings which follow the conclusion of criminal proceedings. (...), much will depend on the nature and context of the proceedings in which the impugned decision was adopted”. In dit verband is naar mijn mening van belang dat strafrechtelijke en disciplinaire zaken in een aantal opzichten dicht bij elkaar liggen. Ik denk dan aan de constitutieve elementen van een ‘misdraging’, de voor sanctionering vereiste mate van verwijt en de onderscheiden bewijsrechtelijke aspecten (zie juist over een disciplinair ontslag als aan de orde in CRvB 8 juni 2017, t.a.p., en R. Stijnen, ‘De onschuldpresumptie bij de oplegging van bestuurlijke boetes: recente ontwikkelingen inzake bewijskwesties en het nemo-teneturbeginsel’, «JBplus» 2017, p. 130 e.v.). In een dergelijke procedure is de ruimte voor afwijking van het in de strafrechtelijke procedure gegeven oordeel beperkt(er) en dienen aan de motivering van een afwijking door de bestuursrechter van het oordeel in de strafprocedure hoge(re) eisen te worden gesteld.

7. Ook in het onderhavige arrest (r.o. 26) overweegt het hof dat in alle zaken en ongeacht de gehanteerde methode “the language used by the decision-maker will be of critical importance in assessing the compatibility of the decision and its reasoning with Article 6 § 2” (vgl. Allen/VK, t.a.p., r.o. 126). Daarbij valt te denken aan onnodig stellige uitlatingen over daderschap, verwijtbaarheid, de facto vaststelling van de bestanddelen van de strafbare gedraging en dergelijke. Kern hier is dat de bevoegde bestuursrechtelijke autoriteit zich er voor moet hoeden de grenzen van zijn eigen ‘forum’ te overschrijden (vgl. EHRM van 15 mei 2009, nr. 31283/04, ECLI:CE:ECHR:2008:0515JUD003128304, r.o. 51 (Orr/Norway)). In CRvB 8 juni 2017, t.a.p., overweegt de Raad dat appellant “het hem verweten drietal tankbeurten heeft verricht”. Daarmee roept de Raad twijfel op over de juistheid van de gronden waarop de strafrechtelijke vrijspraak is gebaseerd (vgl. HR 2 juni 2017, t.a.p., r.o. 2.4.3). Vgl. ook r.o. 22 van bovenstaand arrest, waar het hof opmerkt dat het arbeidsgerecht heeft geconcludeerd dat betrokkene de verweten gedraging daadwerkelijk had begaan, hoewel zij daarvan strafrechtelijk was vrijgesproken. Daarmee is het gerecht zijn arbeidsrechtelijke taak te buiten gegaan en is er twijfel gezaaid aan de correctheid van de vrijspraak, aldus het hof.

8. De verhouding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure omvat meer dan de verplichting tot het, onder omstandigheden, respecteren van de onschuldpresumptie. In het hier besproken arrest, r.o. 32, komt (ook) de vraag aan de orde hoe in de bestuursrechtelijke procedure om te gaan met strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. In de ontslagzaak beriep betrokkene er zich (onder meer) op dat het ontslag mede was gebaseerd op haar bekentenissen tegenover de politie, die zij had afgelegd zonder de vereiste bijstand van een advocaat. Deze verklaringen heeft zij later herroepen. Het hof merkt op dat de feiten in deze zaak erop lijken te wijzen dat het arbeidsgerecht zijn beslissing daadwerkelijk mede heeft gebaseerd op door betrokkene tegenover de politie zonder bijstand van een advocaat afgelegde verklaringen. Het hof sluit niet uit dat het gebruik van dergelijke verklaringen in een civiele procedure een probleem kan opleveren onder art. 6 lid 1 EVRM. Gezien echter zijn conclusie met betrekking tot art. 6 lid 2 EVRM, vindt het hof het niet nodig “to also assess if the labour court in reaching its conclusion relied on evidence in violation of the right to a fair trial”. Dit oordeel is van belang (mede) gezien HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, «JB» 2015/66 (zie ook de conclusie van A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2014:521), waarin de Hoge Raad oordeelt dat de onschuldpresumptie er niet aan in de weg staat dat bewijsmateriaal dat in een strafprocedure is uitgesloten, wat heeft geleid tot een vrijspraak, in de belastingprocedure wél als bewijs mag worden gebruikt. Van een inbreuk op het vermoeden van onschuld kan in dit verband eerst sprake zijn indien de uitspraak van de belastingrechter, gelet op de bewoordingen daarvan, twijfel oproept over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten. Dit oordeel van de Hoge Raad laat onverlet dat uit het hier besproken arrest blijkt dat in een dergelijk geval het recht op een eerlijk proces (art. 6 lid 1 EVRM) aan de toelaatbaarheid van dit materiaal in de bestuursrechtelijke procedure in de weg kan staan.

9. Zie, over het belang van de onschuldpresumptie voor het bestuursprocesrecht ook mijn noten bij EHRM 28 maart 2017, nr. 45028/07, ECLI:CE:ECHR:2017:0328JUD004502807, «JB» 2017/132 en CRvB 8 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2062, «JB» 2017/146.

H.J. Simon, Henk Simon is werkzaam als zelfstandig adviseur op het terrein van het bestuursrecht en het internationale recht, in het bijzonder het internationale sociale verzekeringsrecht

Verder lezen
Terug naar overzicht