Verkrijging woning door huurder: bewoning vormt geen waardedrukkende factor


Samenvatting

Deze zaak ziet op de vraag of bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een van een nalatenschap deel uitmakende onroerende zaak die ten tijde van het overlijden van de erflaatster door de verkrijger krachtens een huurovereenkomst werd bewoond, in waardedrukkende zin rekening dient te worden gehouden met die bewoning. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. A-G IJzerman deelt die opvatting. Op grond van een letterlijke lezing van de tekst van de eerste volzin van art. 21, lid 11, SW 1956 moet volgens hem ook in geval van bewoning waaraan een huurovereenkomst ten grondslag ligt, bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de verkregen onroerende zaak ten aanzien van de verkrijgende huurder niet in waardedrukkende zin rekening worden gehouden met zijn bewoning, maar dient waardering te zijnen aanzien plaats te vinden naar de waarde in vrij opleverbare staat. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de advocaat-generaal dat de wetgever een situatie als de onderhavige expliciet voor ogen heeft gehad en daarover heeft opgemerkt dat bewoning door de verkrijger krachtens een huurcontract niet als waardedrukkende factor in aanmerking dient te worden genomen. Naar verwachting blijft de wetgever bij deze koers. De advocaat-generaal verwijst daartoe naar het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel 'Wijziging van de Successiewet en enige andere belastingwetten'.

De conclusie strekt dan ook ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond wordt verklaard.

Commentaar

In de onderhavige conclusie gaat de advocaat-generaal in op de vraag hoe een verhuurde woning moet worden gewaardeerd voor het successierecht indien de woning wordt geërfd door de betrokken huurder. In casu heeft de belanghebbende…

Verder lezen
Terug naar overzicht