Voortzettingseis bij een geruisloze inbreng ex artikel 18 Wet IB (1998.06.3643)


De vennoten van een vof brengen hun onderneming geruisloos (art. 18 Wet IB) in een BV in. Tot die onderneming behoren onroerende goederen. Vervolgens wordt de onderneming, met uitzondering van dit onroerend goed, ingebracht in een werk-BV. Deze werk-BV gaat met de vennoten en met een zoon van één van hen een vof aan waarin de onderneming wordt ingebracht.

De vraag is of hier problemen zijn te verwachten met de voortzettingseis, genoemd in de voorwaarden bij art. 18 Wet IB.

Als er zakelijke argumenten aan het nieuwe samenwerkingsverband ten grondslag liggen, de werk-BV een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de goodwill en stille reserves, en er sprake is van een reëel door de werk-BV gehouden belang in de vof, zijn er geen problemen te verwachten. De voorwaarde is dat de onderneming drie jaar wordt gecontinueerd. Continuering wil zeggen dat de BV geen handelingen verricht die bij de inbrenger, had hij de onderneming niet ingebracht, tot een gehele of gedeeltelijke staking zou hebben geleid. De Hoge Raad heeft in een arrest van 29 augustus 1997 zelfs beslist dat een geruisloze inbreng alleen buiten toepassing blijft indien de inbreng onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen, gericht op de overdracht of de liquidatie van de onderneming.

Het realiteitsgehalte van het samenwerkingsverband wordt vergroot indien de werk-BV een reëel belang in de vof houdt waardoor het tussenschuiven van een holdingstructuur een zakelijk karakter kan krijgen.

Fiscale praktijkvragen 1998 nr 1 blz. 4

Verder lezen