Van ligplaats naar rechtsplaats:
de Dienstenrichtlijn en het Amsterdamse vaarbeleid
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) heeft op 25 februari 2026 vijftien uitspraken gedaan over ligplaatsvergunningen voor de passagiersvaart in Amsterdam.1 Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: ‘het college’) heeft deze vergunningen omgezet van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. De betrokken reders zijn hiertegen in hoger beroep gegaan.
Geen gewijzigde omstandigheden
De Afdeling heeft in de uitspraken van 25 februari 2026 geoordeeld dat het college in vrijwel alle zaken opnieuw op de bezwaren moet beslissen.1 Hoewel de gemeentelijke regelgeving de mogelijkheid biedt een ligplaatsvergunning te wijzigen bij gewijzigde omstandigheden, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat daarvan sprake is en waarom de omzetting daarom gerechtvaardigd is.
Ten tijde van het besluit in maart 2023 had het college de exploitatievergunningen voor de passagiersvaart al omgezet naar bepaalde tijd. Volgens het college sloot de omzetting van de ligplaatsvergunningen daarop aan. De Afdeling heeft echter in de uitspraak van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) geoordeeld dat de omzetting van de exploitatievergunningen naar bepaalde tijd niet rechtmatig was. Daardoor gelden deze vergunningen weer voor onbepaalde tijd.
Ten tijde van het besluit in maart 2023 had het college de exploitatievergunningen voor de passagiersvaart al omgezet naar bepaalde tijd. Volgens het college sloot de omzetting van de ligplaatsvergunningen daarop aan. De Afdeling heeft echter in de uitspraak van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) geoordeeld dat de omzetting van de exploitatievergunningen naar bepaalde tijd niet rechtmatig was. Daardoor gelden deze vergunningen weer voor onbepaalde tijd.
Dienstenrichtlijn
Ik ga hierna verder in op de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn.
De Afdeling stelt expliciet vast dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen. Zij overweegt dat, zoals in de uitspraak van 16 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2025:1709) is geoordeeld, het verbod om zonder vergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen naar zijn aard uitsluitend geldt voor personen die een dienstactiviteit willen verrichten, met uitsluiting van personen die handelen als particulier. Het college moet bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn toepassen.
De rechtbank had geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn hier niet van toepassing was. De Afdeling corrigeert dat oordeel en maakt duidelijk dat de aard van de activiteit bepalend is. Voor zover vaartuigen worden ingezet voor commerciële passagiersvaart, betreft het een dienstenactiviteit. Dat brengt mee dat besluiten die de toegang tot die activiteit beperken, moeten voldoen aan de voorwaarden van de Dienstenrichtlijn.
Ter zitting heeft het college betoogd dat wel aan de vereisten van de Dienstenrichtlijn is voldaan. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat de besluitvorming ten aanzien van de omzetting nodig is voor de bescherming van het stedelijk milieu en de ordening van het binnenwater. Toch blijft onduidelijk waarom er precies 377 ligplaatsen zijn aangewezen, waarom dit aantal het maximum is en waarom geen extra ligplaatsen beschikbaar zijn. Ook ontbreekt een concrete onderbouwing waarom de wijziging geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Bij een nieuw besluit moet het college deze motivering expliciet opnemen.
Van belang is dat de Afdeling zwaar tilt aan het ontbreken van een expliciete richtlijntoets in de besluiten zelf.
Afronding
Het vernieuwende van deze uitspraak zit niet zozeer in de constatering dat de Dienstenrichtlijn van toepassing kan zijn op gemeentelijke vergunningstelsels voor dienstactiviteiten. Dat uitgangspunt was al eerder aanvaard. Wat in deze uitspraak nadrukkelijk naar voren komt, is dat een wijzigingsbesluit, dus een omzetting van bestaande vergunningen, volledig moet worden getoetst aan de Europese criteria. Een beroep op gewijzigde omstandigheden binnen het nationale recht is onvoldoende wanneer niet ook inzichtelijk wordt gemaakt dat de maatregel voldoet aan de eisen van de Dienstenrichtlijn.
De uitspraak onderstreept daarmee dat de Dienstenrichtlijn een directe en zelfstandige toetsingsmaatstaf vormt bij ingrepen in vergunningen voor dienstverleners.
Mr. S.E. (Sarah) van der Pol, advocaat Pot Jonker Advocaten N.V.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Sarah van der Pol (tel. +31(0)23 5530223) svanderpol@potjonker.nl of één van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en Overheidsrecht van Pot Jonker Advocaten.
1 Zaaknummers 202406384/1/A3, 202406382/1, 202406383/1, 202406387/1, 202406389/1, 202406391/1, 202406393/1, 202406395/1, 202406396/1, 202406397/1, 202406405/1, 202406408/1, 202406418/1, 202406420/1 en 202406423/1.
1 In de veertien uitspraken wordt verwezen naar de vijftiende uitspraak met ECLI:NL:RVS:2026:823.